Het beste van jezelf
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Yves Desmet pende een mooie, poëtische 1 septemberverklaring deze week. Hij schetste enkele profielen van leerkrachten zoals je ze af en toe tegenkomt tijdens je schoolleven. Het type leerkracht dat je leven verandert, ook al ben je op dat moment vaak te jong om dat te beseffen. Het was een sterk stuk, vooral omwille van de herkenbaarheid. Iedereen die de schoolbanken ontgroeid is kan zich immers die ene leraar of lerares herinneren die een onuitwisbare indruk naliet. Door zijn of haar stijl, de atypische invalshoeken, de tomeloze energie of de pure passie voor het eigen vak. Die ene persoonlijkheid die van een schooldag een memorabele belevenis kon maken. Het was echt een prachtig pleidooi voor inspirerende leerkrachten. En voor het koesteren van je schooljaren. Het klopte als een bus.

Het was daarom dubbel jammer dat het stuk afsloot met een klassieke redenering. Die dan ook nog las als een wat conservatieve aanbeveling: En als er af een toe eentje tussen zit die denkt dat hij je alleen maar moet voorbereiden op de arbeidsmarkt, laat hem doen, en negeer hem: over twintig jaar zal je hem vergeten zijn. Sta ons toe die framing, zoals dat heet, een beetje ongelukkig te vinden. In de context van een wervend pleidooi voor beziel(en)d onderwijs wordt het begrip ‘de arbeidsmarkt’ zuur in de mond genomen. Bah, de arbeidsmarkt. Alsof het iets vies, onheus betreft. De arbeidsmarkt als een deel van je leven waaraan je liever nog niet denkt als je nog onbekommerd jong mag zijn. Als een spook dat opdoemt na de inspirerende schooltijd. Als een zwart beest dat al je dromen en aspiraties komt afpakken. Als een kerkhof (brrr) vol weggedeemsterde volwassenen die ooit jeugdige dromen hadden. Je kan er maar best zolang mogelijk van wegblijven.

Natuurlijk begrijpen we dat Desmet vooral wil zeggen dat een school niet per definitie mag gedicteerd worden door de wensen van ‘de markt’. Dat vinden wij natuurlijk ook niet. Maar eigenlijk beseffen we door het stuk van Desmet vooral dat het begrip arbeidsmarkt (hoe oud zou het ondertussen geworden zijn?) echt al lang pejoratief wordt gebruikt. Misschien is het zijn houdbaarheidsdatum gewoon al lang voorbij? En misschien kan dit dus ons aller huiswerk zijn voor het schooljaar 2014-2015: de vermaledijde ‘arbeidsmarkt’ te verlossen van zijn pejoratieve bijklank..? Wij dagen daarom alle sterke geesten en pennen van Vlaanderen uit om eenzelfde oefening over de arbeidsmarkt te maken als die van Yves Desmet over het schoolleven. Een poëtische, inspirerende denkoefening dus.

Want die arbeidsmarkt, dat is niet het schoolse leven. Dat is de school van het leven. In het beste geval zelfs een nog fijnere school dan die waar je les kreeg. Op de arbeidsmarkt ga je je eigen leven leiden. Op de arbeidsmarkt, kan je je dromen en ideeën eindelijk omzetten in daden. Op de arbeidsmarkt kan je iets maken dat van jezelf is. Op de arbeidsmarkt vind je verwante zielen waarmee je elke dag grote en kleine dingen kan realiseren. Op de arbeidsmarkt, drink je koffie met je favoriete collega om er dan in te vliegen om de wereld een klein beetje (of fundamenteel) te veranderen. De arbeidsmarkt, dat zijn wij. Allemaal, elke dag. De arbeidsmarkt, dat is trouwens ook de redactie van De Morgen. En daar geef je toch maar best het beste van jezelf, vanaf dag één.

Het beste van jezelf… Is dat niet precies het stukje waarvan je hoopt dat je het ontdekt tijdens je schooljaren? Is dat niet die troef waarvan je vandaag weet: die pakken ze mij nooit af. Het beste van jezelf, is dat niet wat je in je voelde opborrelen als een inspirerende leerkracht je prikkelde op de schoolbank? Wie inspirerende leerkrachten krijgt zoals Yves Desmet ze trefzeker beschreef (en wie wil dat niet?) en daardoor uitgroeit tot een zelfkritische, evenwichtige, zelfbewuste jongeling... is die niet per definitie klaar voor de arbeidsmarkt? Wij geloven van wel. Als wij deze week het idee lanceerden om sommige scholieren en studenten in hun laatste jaar een stage te gunnen eerder dan een zoveelste opdracht voor een geschreven eindwerk, dan is dat om hen een keer het beste van zichzelf te laten ontdekken. Want echt, dat kan dus op de arbeidsmarkt. Het kan een verademing zijn om eens een beetje te voelen hoe het voelt om echt te werken. En zo zouden het schoolse leven en de school van het leven iets natuurlijker in elkaar kunnen overvloeien. Wedden dat die jongelui dat helemaal niet zo erg zouden vinden. Wel integendeel.

03 september 2014

Trefwoorden bij dit artikel: arbeidsmarktbeleid

 

Een zure/dure les voor ondernemers
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

“Mama, gaat die meneer dan naar onze televisie kijken?”, vragen mijn kinderen bedroefd nadat de deurwaarder onze beeldbuis op de inbeslagnamelijst zette. Een faillissement kom je te boven, maar een gebroken moederhart heelt verschrikkelijk moeilijk.

Het raakt me telkens opnieuw. Ondernemers die me hun verhaal delen. Zoals deze moeder die met haar man jaren geleden de stap durfde wagen naar een eigen zaak. Ze stoppen hun eigen centen en vooral ook hun hart en ziel in het project waarin ze geloven. Het gaat een tijdje goed, maar als bedrijf waar alles draait om persoonlijke contacten, feilloze service en maatwerk is het moeilijk opboksen tegen de onpersoonlijke, prijsdrukkers of alternatieven op het internet.

Tot op een dag dan het onvermijdelijke volgt. Het koppel beslist om de boeken neer te leggen. Een zwarte dag, een droom die aan diggelen valt. Na de emotionele klop, volgt de financiële. Tegemoet komen aan de schuldeisers. Toestellen, materiaal, producten, alles wat met het bedrijf te maken heeft stuk voor stuk verkopen. Maar het ergste moest nog komen. Plots bleken ook de koelkast, wasmachine en televisie volgens de beslagrechter tot het bedrijf te behoren. Als het op belastingen of regeltjes aankomt, dan maakt de wetgever met plezier een onderscheid tussen de persoon en de onderneming. Twee keer langs de kassa passeren, is meer rendabel, weet u. Maar bij een faillissement valt dat onderscheid blijkbaar volledig weg. Alles deed het koppel om hun privé-eigendommen te vrijwaren van inbeslagname. Tevergeefs.

Het koppel leerde een harde les voor zichzelf en voor alle andere ondernemers. Aan, boven of onder je zaak wonen, is een risico. Privébordjes of niet aan de deuren, de deuren gaan open. Wat er te zien is, maakt deel uit van de onderneming. Als ondernemer zet je de maatschappelijke zetel dus maar beter niet op je thuisadres. Hou ook alle facturen nauwgezet bij. Een Visa-uittreksel vermeldt het bedrag van de aankoop, maar niet wat je hebt gekocht. Vraag dus maar bij elke aankoop een bewijs van wat je hebt gekocht. Betaal je een kinderzeteltje met cash, vraag dan een getailleerd betalingsbewijs. Leen je meubels van je ouders, dan leg je dit maar beter vast in een officieel contract. Alle privébezittingen moet je kunnen bewijzen. Alsof je de wasmachine voor professionele doeleinden gebruikt. Waar zijn we mee bezig?

Weet u trouwens wat het grappige is aan dit verhaal, zij het dan zeer cynisch? Het koppel heeft de curator nu een voorstel gedaan om al hun privéspullen – die ze dus al eens betaald hadden – terug te kopen. Ze leven op dit moment op hoop dat de curator met hun voorstel akkoord gaat. Zodat ze opnieuw hun was kunnen doen, kunnen zitten in hun eigen zetel, hun kinderen net als hun vriendjes naar televisie kunnen kijken…

De verhalen raken me niet alleen, ik word er echt kwaad over. Kwaad omdat zoiets mogelijk is. Omdat mensen die al hun spaarcenten in een bedrijf stopten en bovendien jarenlang mensen een job gaven niet alleen alles kwijt zijn, maar zich ook nog eens over zulke zaken moeten bekommeren. Omdat politici en de maatschappij nog altijd te weinig respect tonen voor wie onderneemt. Omdat gefailleerden in ons land nog te veel beschouwd worden als mislukkelingen en ze quasi in alles ontmoedigd of belemmerd worden om opnieuw te beginnen. Ik word er kwaad over, maar de verhalen motiveren me alleen nog maar meer om te blijven ijveren voor een beter ondernemersklimaat, voor meer respect.

 

(verschenen in De Standaard op 25 augustus 2014)

25 augustus 2014

Trefwoorden bij dit artikel: Faillissement

 

Partijen zonder ambitieus toekomstproject mogen aan de zijlijn blijven staan
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

We willen een regering met partijen die er álles aan doen om onze bedrijven en dus onze economie opnieuw vooruit te helpen. Een regeerprogramma dat die ambitie ademt en ook de grote structurele uitdagingen zoals de vergrijzing met veel durf en visie, maar vooral met een toekomstproject wil aanpakken. We willen geen regering zonder ambitieus programma of één die gemaakt is tegen bepaalde partijen. Dat is in het kort de boodschap die ik kwijt wou in het interview met Humo eerder deze week. Welke partijen van die regering deel uitmaken is minder van belang, als het programma maar gedurfd is en vooral ook volledig uitgevoerd wordt.

In die context ben ik benieuwd naar de voorstellen van de partijen die tot nu toe weinig of niet bij de inhoudelijke federale onderhandelingen zijn betrokken. In het bijzonder de grootste partij uit het zuiden van het land. Is zij ervan overtuigd dat we er alles aan moeten doen om onze economie opnieuw fundamenteel te laten groeien? Dat dit de enige weg is naar het behoud of zelfs de verdere groei van onze welvaart, zowel in het noorden, het zuiden als het centrum van het land? Dat zoiets maar kan als ondernemingen competitief zijn? En als ondernemers gemotiveerd worden om hun eigen centen in bedrijven te investeren vanuit de overtuiging dat die bedrijven dan sterker worden en dat de samenleving hen ook een voldoende rendement gunt op die risico-investeringen?

De mensen hebben het recht te weten of die grootste Franstalige partij met volle overtuiging zo’n programma wil realiseren. Ook in de wetenschap dat je daarvoor in de sociale zekerheid bepaalde keuzes zal moeten maken, dat niet zomaar alles hetzelfde kan blijven als nu, dat onze overheidsdiensten wat slanker zullen moeten worden zonder aan performantie te verliezen. Dat onze actieve carrières fundamenteel langer zullen moeten worden om die mooie sociale zekerheid, onze pensioenen,… op een duurzame manier te kunnen blijven financieren. Duurzaamheid, de toekomst, een contract voor onze jeugd, ambitie, durf, groei zijn de woorden waarmee de regeerakkoorden doorspekt zouden moeten worden. Niet alleen de federale, ook de regionale. Wij, mensen, kiezers, ook ondernemers zullen moeten veranderen, ons gedrag en onze gewoontes aanpassen aan de snel veranderende omgevingsomstandigheden.

Die aanpassingsbereidheid groeit met een mooi toekomstperspectief. Zullen we de technologieën van de toekomst bij ons ontwikkelen? Zal daarrond nieuwe werkgelegenheid gecreëerd worden? Vinden we genoeg mensen die bereid zijn in eigen land hun vermogen daarin te investeren? Gaan we ons onderwijssysteem kunnen aanpassen zodat we én het verschil kunnen maken met hoog opgeleide jonge mensen én alle kansen kunnen blijven bieden aan mensen met wat minder talent? Houden we onze economie voldoende competitief om ook mensen met een lagere scholing een duurzame jobkans te geven? Gaan we mensen die tegenslag hebben in hun leven als samenleving blijvend opvangen en ook nieuwe kansen bieden?

We hebben de voorbije decennia alvast bewezen dat we dat samen kunnen. De vraag is of we ook onze kinderen die kansen kunnen bieden. Die ambitie moeten de regeerakkoorden ademen. De ondernemerswereld wil daar alvast voor gaan, dat hebben we altijd duidelijk gemaakt. We hopen op regeringen waarvan we partner kunnen zijn voor dat toekomstproject.

Partijen die met gezond verstand en durf voor dit programma willen gaan en een aantal noodzakelijke veranderingen aan de bevolking willen uitleggen, horen thuis in die regeringen. Partijen die daarvoor passen, mogen wat ons betreft aan de zijlijn blijven staan.

17 juli 2014

Trefwoorden bij dit artikel: regering

 

Ten oorlog tegen nepsollicitanten?
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

‘UNIZO trekt ten oorlog’, ‘UNIZO heeft duidelijk nood aan vakantie, ze proberen enkel een hetze te creëren’, lees ik in de kranten. De uitlatingen op de sociale media dan nog buiten beschouwing gelaten.  Voor wie eraan zou twijfelen, een legeroutfit heb ik niet. En ook al zou vakantie deugd doen, onze boodschap sproot niet voort uit een behoefte aan rust. Ze vertrekt van een reëel probleem vastgesteld door een belangrijk deel van onze werkgevers. Sollicitanten die opdagen met de boodschap: “Ik heb eigenlijk geen interesse in de job, ik kom enkel voor het attest”.  Zeer frustrerend want er is dan geen potentiële werknemer, de nijpende vacature blijft openstaan en er is ook het knagend besef dat er iemand is die onze belangrijke sociale zekerheid aan het misbruiken is.

Voor alle duidelijkheid, in onze enquête was het begrip “nepsollicitant” gedefinieerd als “iemand die enkel komt kandideren voor het briefje”. Niet als iemand die niet in aanmerking komt, of door omstandigheden niet komt opdagen. Nee, louter en alleen sollicitanten met totale desinteresse en met als enige “nobele” doel een bewijsje te vergaren. Enkel solliciteren om toch maar de werkloosheidsuitkering te kunnen behouden. En wie betaalt die werkloosheidsuitkeringen? Juist, u en ik.

Dat 7 op de 10 werkgevers ermee te maken krijgt en dat het gemiddeld over 3 nepsollicitanten per jaar per bedrijf gaat, zou moeten choqueren of wakker schudden. Beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt is het fundament van ons werkloosheidsbestel. Zij die vinden dat nepsollicitaties niet gelijkgesteld kunnen worden met sociale fraude stellen dan ook dit fundament in vraag. Bovendien nemen nepsollicitanten de plaats in van zij die actief en met veel overgave naar een nieuwe job zoeken. Dat de boodschap uitmondde in een zogeheten ‘clash tussen werkgevers en vakbonden’ valt dan ook zwaar te betreuren. Dat vakbonden het probleem proberen omdraaien, tja, we zouden het liever anders willen, maar dat publieke media zoiets doen getuigt niet echt van een groot inlevingsvermogen in de problemen waar bedrijven voor staan.

Om het dan toch over het omdraaien van het probleem te hebben. Wij zijn er ons van bewust dat niet alle werkgevers even correct en snel sollicitatiebrieven beantwoorden. Dat is inderdaad weinig plezant voor de sollicitant, dat erken ik. Het is van een heel andere orde dan moedwillig fraude plegen en mede-werkzoekenden kansen ontnemen, maar we willen dit zeker niet onder de mat schuiven. Net daarom proberen wij al vele jaren onze KMO-werkgevers via concrete adviezen en projecten zoals onze HRM Coach te begeleiden bij het werven en rekruteren van werknemers. Antwoorden op elke sollicitatie is onder andere een richtlijn die we onze werkgevers daarbij meegeven. We zijn zeker bereid hierrond samen te werken met onze vakbonden. Ze mogen ons gerust klachten terzake bezorgen. Dat kan enkel onze begeleiding van ondernemers om het morgen beter te doen verbeteren. En als zij openstaan voor onze klachten over nepsollicitanten willen we die zeker ook bezorgen. Samen de problemen oplossen, daar willen we zeker voor gaan.

De oproep om de klachten door te geven aan de VDAB verdient toch enige duiding. Het is de VDAB zelf die ons vraagt werkgevers te motiveren deze feedback door te geven. We werken trouwens al jaren op een actieve manier mee aan het uitbouwen van sollicitatiefeedback via de VDAB. Onze organisatie heeft het concept van sollicitatiefeedback trouwens zelf gelanceerd in 2010. We hebben zelfs al een ESF-project achter de rug waarbij we samen met VDAB en uitzendkantoren zochten naar de best mogelijke manier om die sollicitatiefeedback te laten verlopen. En aangezien het systeem nog niet op punt staat blijven we er samen met VDAB aan sleutelen. Omdat we feedback belangrijk vinden. Uiteraard feedback over die beperkte groep mensen die het systeem denkt te mogen misbruiken. Maar vooral feedback zoals “de werkzoekende heeft zeker competenties, maar beantwoordt niet aan het profiel” of “de sollicitant was goed, maar een andere kandidaat was beter”. Of feedback die de sollicitant tips geeft om een andere sollicitatie beter te doen. Want daar gaat het uiteindelijk over, over mensen aan het werk te krijgen. Daarvoor willen we wel ten strijde trekken.

(Verschenen in: De Standaard)

 

11 juli 2014

Trefwoorden bij dit artikel: Aanwerving, Sollicitatie

 

Cora wie?
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Cora wie? Was het maar de dame van de Hollandse frituursnacks. Zelfs nu de Belgische vlaggen wapperen als nooit tevoren, zouden we dit vleesgeworden uithangbord van onze noorderburen liever zien komen dan die andere Cora. Het gigantische complex dat op de gronden van Moeskroen en Estaimpuis dreigt op te rijzen. 40.800 vierkante meter oppervlakte met onder andere een hypermarkt, een drive-afhaalpunt, een bovengrondse parking voor 2.600 voertuigen, een benzinestation met 16 pompen en een zone voor reserves, leveringen en werkplaatsen van 9.000 m². Cora wat?

Het lijkt erop dat politici het niet willen snappen. Enerzijds timmeren ze aan Winkelnota’s, handelsvestigingsbeleiden of schrijven ze projecten uit ter bevordering van kernversterkend beleid. Anderzijds leveren ze maar vergunningen af voor grote complexen ver buiten de kernen van onze steden en gemeenten. Of gaan ze naar de Raad van State wanneer een vergunning voor een bepaald Brussels project geweigerd wordt.

Akkoord, in het geval van Cora is het de Waalse regering die in het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie groen licht gaf. Niet de Vlaamse. Maar het zijn wel onder meer de Vlaamse handelaars die getroffen worden. Meer bepaald die uit Kortrijk, Ieper, Avelgem, Zwevegem, Kuurne, Wevelgem, Menen, Zonnebeke, Roeselare, Ledegem, Izegem, Oostrozebeke, Waregem en Deerlijk. Zij zullen hun cliënteel langzaam maar zeker hun winkel zien ruilen voor die in het winkelcomplex. En ook de brasserie naast de deur weet dat hij die klanten hoogstwaarschijnlijk niet zal terugzien voor de lunch, noch de tearoomuitbater voor de koffie met taart. Shoppingcomplexen in de periferie betekenen vaak de doodsteek voor de handelskernen. Denk maar aan Sint-Niklaas, alle pogingen om het centrum nieuw leven in te blazen ten spijt.

We staan niet alleen met ons betoog. Het West-Vlaams Economisch Studiebureau (WES) bestudeerde de detailhandel in West-Vlaanderen. Een Cora-project zat niet bepaald in hun aanbevelingen. Integendeel. Het bureau pleitte nadrukkelijk voor de binnenstedelijke handel en het verweven van de detailhandel met de woon-en werkfunctie van de binnensteden. Ook de cijfers winden er geen doekjes om. Het winkelaanbod in de periferie nam toe met maar liefst 1,5 miljoen vierkante meter, tegenover een afname van 114.000 vierkante meter in de kernen. Het effectieve gebruik van de panden daalde met 6,8 procent en de winkelleegstand steeg van 4,9 tot 7,2 procent.

Betekent dit dat shoppingcentra sowieso non passeran zijn? Neen, shoppingcentra kunnen absoluut een troef zijn. Maar dan wel met die voorwaarde dat ze midden in het stadscentrum worden ingeplant. Zoals K in Kortrijk bijvoorbeeld, in de schaduw van de Broeltorens en belfort. Het winkelcomplex lokt extra kooplustigen naar het hart van de stad, waar ook andere ondernemers mee van kunnen profiteren. Maar ook de inwoners, want hun stadscentrum blijft levendig en vol volk. Geen spookstadscenario in het Texas van West-Vlaanderen.

Cora ja of nee. Deze vraag moeten nu de stadsbesturen van Moeskroen en Estampuis beantwoorden. Zij kregen de eindbeslissing, totaal onverantwoord overigens.  We kunnen allen maar hopen – en verwachten – dat ze een beslissing nemen in het belang van de bredere samenleving en niet enkel van de gemeentekas. Wij bekijken intussen welke beroepsmogelijkheden nog mogelijk zijn. 

04 juli 2014

Trefwoorden bij dit artikel: shopping centrum

 

Vorige  |1|2|3|4|5|6|7|8|9|10|11|  Volgende
Stel uw vraag
BelgacomElectrabelKBCADMBZenito