Wentel een maatschappelijk probleem van burn-out niet enkel op werkgevers af
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Burn-outs lijken wel de welvaartsziekte van de 21ste eeuw te worden. Wat er precies aan de hand is en hoe omvangrijk het probleem is, daarover lopen de meningen uiteen. Wel worden werkgevers vaak met de vinger gewezen. Ze branden in hoog tempo hun eigen ‘human capital’ op in een hang naar productiviteitswinst. Maar dat beeld klopt niet. Ondernemingen hebben alleen maar te verliezen bij werknemers die lijden onder hun werk of er aan onderdoor gaan. Meer nog, diverse onderzoeken tonen aan dat geëngageerde medewerkers beter presteren wanneer ze zich goed voelen op hun werk . We zijn nog geen enkele werkgever tegengekomen die het tegendeel beweert.

In 2012 becijferde de OESO dat mentale gezondheidsproblemen alles samen 3,4% van het BBP (+- 13 miljard euro) aan de Belgische staat kosten. De zorg voor mentale aandoening, waaronder burn-out, vraagt uiteraard aandacht en daadkracht. Ook voor werkgevers. Maar de oorzaak is een maatschappelijk probleem, en niet dat van de werkplek in de eerste plaats.

Vier op de tien werknemers wijt zijn stress aan de combinatie van werk en gezin, aldus een onderzoek dat het Trendhuis in 2013 in opdracht van het Europees Sociaal Fonds voerde. Acht op de tien werknemers denkt met glijdende werkuren de stress te verlichten. Werk heeft dus een invloed op ons psychisch welbevinden, maar voor een groot deel door de combinatie met andere extra-professionele activiteiten.

Als de work-life balance  een invloed heeft op het psychische welbevinden van de mens dienen we de ‘life-factor’ even kritisch te bekijken als de ‘work-factor’. En ons leven is behoorlijk druk. Tien jaar geleden voerde de VUB een onderzoek naar de tijdsbeleving van de Belg. Daaruit bleek dat we sinds de jaren ‘60 aanzienlijk minder tijd besteden aan betaalde arbeid ten voordele van recreatieve tijd en sociale participatie.  Via digitale technologie zijn we vandaag permanent op de hoogte van wat anderen doen, welke feestjes we niet mogen missen, welke boeken we moeten gelezen hebben, welke landen en steden we moeten gezien hebben. De druk van de hyperconnectiviteit op het individu mag niet veronachtzaamd worden.

Als werkgevers onderkennen we de impact van burn-out en andere geestelijke aandoeningen op de samenleving. Als micro-samenlevingen waarin mensen een groot deel van hun dagtijd besteden en met elkaar samenwerken, kunnen bedrijven zelfs een verschil maken. Door te werken aan een bedrijfscultuur waarin werknemers ondersteund worden en gewaardeerd worden. Door conflicten niet uit de weg te gaan maar kordaat aan te pakken. Door rekening te houden met de fysieke en psychische grenzen van onze mensen. We ondervinden ook dat ondernemers daar heus werk van willen maken. Geef hen dan ook de ruimte om dit te doen. Elke ondernemer op zijn manier, aangepast aan de grootte en de specificiteit van zijn bedrijf. Strenge regelgeving en draconische procedures, zoals de vorige regering heeft ingevoerd, zullen niet helpen, maar alleen tot apathie leiden.

En laten we niet vergeten dat een mens meer is dan zijn werk. Elkeen is ook partner van, ouder van, vriend van, kind van, lid van, … Werkgevers hebben invloed op het persoonlijk welbevinden van hun medewerkers, maar dat welbevinden hangt van veel meer af dan enkel het werk. Dus kan ook niet enkel de aanpak op het werk de oplossing bieden.

Caroline Ven (VKW), Pieter Timmermans (VBO), Jo Libeer (Voka) en Karel Van Eetvelt (UNIZO)

05 februari 2015

Trefwoorden bij dit artikel: Werknemers, Werkgever, burn-out

 

Voor een leefbare en bloeiende horeca
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Spandoeken, borden, sirenes, muziek, speeches en een grote menigte mensen die allemaal dezelfde boodschap verkondigen. Het lijken de ingrediënten voor een vakbondsmanifestatie, maar deze keer niet. Gisteren verzamelden honderden horeca-uitbaters op het Brusselse Muntplein om te betogen. Niet tegen de  invoering van de witte kassa zoals sommigen het willen voorstellen. Wel voor een leefbare en bloeiende horecasector na de invoering van de kassa.  

Op dat vlak is deze sector fel veranderd. 10 jaar geleden was er nog een omerta over de manier waarop de sector leefbaar werd gehouden. Vandaag zegt de overgrote meerderheid: we moeten veranderen, alles moet in de legaliteit gebeuren. Het zwartwerk moet de wereld uit. Maar de manier waarop de kassa zijn intrede doet, namelijk het ding invoeren met beperkte compenserende maatregelen, daarover zijn de ondernemers ontzet. De sector vreest zijn ondergang.  

Een kleine rondvraag leert dat die vrees niet ongegrond is. 1 op 5 horeca-uitbaters zegt onmiddellijk de deuren te moeten sluiten. Nog eens 1 op 3 vreest dat in de komende jaren te moeten doen. Slecht nieuws voor een economie als de onze die het moet hebben van ondernemers. Ook voor de consument die graag al eens van café of restaurant wisselt. Willen we een Vlaanderen waarin je niet meer kan kiezen in welk dorpscafé je je koffie of pintje drinkt? Of een Vlaanderen waarin je kan kiezen tussen een ketenrestaurant, fastfoodrestaurant of een van de weinige nog overblijvende sterrenrestaurants om met vrienden of familie eens gezellig te gaan tafelen? Doembeeld?

En wat de werkgelegenheid die we met zijn allen zo graag willen opkrikken? Meer dan 40% van de horeca-uitbaters  zal personeel moeten ontslaan. Slecht nieuws voor tienduizenden werknemers in de horeca. Want zoveel jobs zullen er verloren gaan, berekenden studies van de KULeuven en de UHasselt. Slechts nieuws voor het steeds groeiende aantal werkzoekenden dat hoopt er een job te vinden. Alternatief? De prijs fors verhogen. Dat zegt 9 op 10 te zullen moeten doen. Slecht nieuws voor de consument die alsnog een café in zijn stad gevonden heeft en plots een vijfde tot de helft meer voor die pint moet betalen.  

Zijn er dan geen alternatieven? Uiteraard en gelukkig wel. We kunnen de spreekwoordelijke drooglegging van ons land vermijden door stevige maatregelen te nemen die vertrekken van de realiteit op het terrein. De horeca is één van de meest arbeidsintensieve sectoren. Ze stelt ruim 100.000 werknemers tewerk. Die werknemers krijgen een correct loon voor hun forse prestaties, heel vaak meer dan 38 of 40 uur per week. Maar een deel daarvan ziet spijtig genoeg het daglicht niet. Waarom? Wegens anders onbetaalbaar. Haal die loonlasten fors naar omlaag en we zijn al een heel eind verder. Laat die werknemers ook toe om meer flexibel te werken. De horeca kent geen strikte uren. Wie langer wil werken, moet dat kunnen. Voer de 48-urenweek in waarbij de extra uren forfaitair worden belast.  

En niet alleen voor die horeca-uitbaters of de vele werknemers. Ook voor ons allen. We zijn nog steeds één van de gezelligste regio’s van de wereld met ongetwijfeld het meest aantal vierkante meter terras per capita. Laat ons dat zo houden!

 

 

 

 

 

27 januari 2015

Trefwoorden bij dit artikel: BTW, Horeca, Loonlasten, Loonlastenverlaging

 

Hoeveel shopping heeft Vlaanderen nodig?
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Hoeveel shopping heeft Vlaanderen nodig?

Over de mythe van het nijpend winkeltekort in Vlaanderen

Vlaanderen kampt blijkbaar met een gigantisch tekort aan winkelruimte. Dat moet wel, waarom zouden projectontwikkelaars anders grote winkelmastodonten buiten het centrum van een stad willen neerpoten? Brussel heeft meer dan onvoldoende winkelruimte, want daar streven ze naar maar liefst 3 shoppingcomplexen: Uplace, Neo en Docks. En nu lijkt ook Gent te klein geworden. Het winkelcomplex The Loop aan de rand van de stad moet Gent redden.

Nobele doelstelling, ware het niet dat Vlaanderen allesbehalve kampt met een nijpend tekort aan winkelruimte. Meer nog, de leegstand in onze winkelkernen neemt nog toe. Uit een recente studie van IDEA Consult blijkt dat de afgelopen 7 jaar zo’n 3700 leegstaande winkels zijn bijgekomen, vooral in de traditionele en kleine centra. De totale leegstaande winkeloppervlakte is in die periode zelfs verdubbeld.

Tegelijk is het aanbod aan winkeloppervlakte in de periferie, onder meer in de vorm van baanwinkels, met 1,5 miljoen vierkante meter of 145 procent toegenomen. Ten koste dus van de handelszaken die in het centrum bijdragen tot zijn levendigheid, aantrekkelijkheid en sociale weefsel. 

In plaats van extra winkels buiten de kern bij te bouwen die open ruimte innemen en extra verkeer en luchtvervuiling genereren, zouden lokale en regionale overheden in heel Vlaanderen beter investeren in de leegstaande panden in het centrum. Zorg dat zaakvoerders – zowel van ketenwinkels als van zelfstandige handelszaken – de weg naar het centrum vinden. Of maak van de leegstaande winkelpandenpublieke ontmoetingsplaatsen of gezellige winkelcentra. Niet buiten de stad, maar er middenin, zodat de hele stad er mee van kan profiteren.

Maar het voeren van een consequent winkellocatiebeleid is jammer genoeg weinig steden of gemeenten gegeven. Enerzijds hebben lokale en regionale overheden de mond vol van kernversterking, een stad op mensenmaat, en duurzame mobiliteit. Anderzijds levert men aan de lopende band vergunningen af voor projecten die lijnrecht tegen deze filosofie ingaan. De stedelijke leefbaarheid die met de ene hand gegeven wordt, wordt met de andere onmiddellijk weer ingetrokken. Gent is hier zeker geen uitzondering op.

Het gaat overigens niet om het afleveren van vergunningen alleen. Gewest en gemeenten lopen elkaar voor de voeten om mee te mógen investeren in shoppinginfrastructuur. Het Brusselse Uplace en Docks krijgen hun tram, betaald met belastinggeld. In het Gentse ‘The Loop’-project moet er ‘gewoon’ nog een vierde rijstrook langs de E40 bij, naast een nieuw treinstation op de site en een enorme parking ter waarde van tientallen miljoen euro. Stuk voor stuk investeringen die de Gentenaar betaalt. 

Wil Gent het nieuwe Sint-Niklaas worden? Want die weg gaan we op als The Loop er komt. Een gigantisch outletcentrum buiten de stad met nog een cinema, cafés en ander snelwegvertier. Of denkt de stad nu echt dat bezoekers nadat ze hun koffer gevuld en portefeuille geleegd hebben toch nog even naar de binnenstad zullen afzakken? In de file of via de tram die er twintig minuten over doet?

Slaap zacht lief Gent!

Karel Van Eetvelt, gedelegeerd bestuurder van Unizo Vera Dua, voorzitster Bond Beter Leefmilieu

 

(verschenen in De Standaard op 16 januari 2015)

16 januari 2015

Trefwoorden bij dit artikel: leegstand, shopping centrum

 

Alsof werkgevers de beestjes in het hoofd van werknemers kunnen temmen
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Je kon er vandaag niet naast lezen. Volgens een studie van CM is de gemiddelde werknemer is doodongelukkig op zijn werk, nog meer dan vroeger. 4 op 10 Vlamingen noemt zijn job ‘belastend’. Als er niets verandert, dan zullen alsmaar meer mensen ziek thuisblijven, orakelt de CM-Geluksbarometer.

Hoe hoog de werkdruk echt is, dat kan de CM dan weer niet zeggen. Volgens de mutualiteit kan het liggen “aan de perceptie van de Vlamingen, bestookt als ze worden met onheilsberichten over bedrijven die sluiten en de economische crisis die maar blijft aanhouden”. Als het een perceptieprobleem is dan zullen de schreeuwerige krantenkoppen dat we ons met zijn allen kapot werken zeker niet helpen.

Er zijn nochtans objectieve metingen van de evolutie van de werkbaarheid. De Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen (SERV) onderzoekt dit sinds 2004 in de werkbaarheidsmonitor. 71% van de Vlaamse werknemers beschouwt werkstress als niet problematisch.  89% ziet geen problemen in zijn werk-privébalans. Volgens de  European Trade Union Institute (ETUI) scoort België bij de besten van de OESO-landen wat betreft de kwaliteit van onze arbeid. Enkel Denemarken doet duidelijk beter.

Meer dan de cijfers over hoe gelukkig of ongelukkig we zijn, stoort mij dat telkens opnieuw de verantwoordelijkheid ‘om iets te veranderen’ enkel bij de werkgever wordt gelegd.  Denk maar aan de sensibiliseringscampagnes over burn-outs, enkel gericht op werkgevers, de pestwet vol procedures en zelfs boetes, enkel voor de werkgever. En vandaag roept de CM opnieuw enkel de werkgevers ter verantwoording. Alsof werkgevers in het hoofd van werknemers kunnen kruipen om er de eventuele beestjes te temmen. Natuurlijk moet je er als baas zoveel mogelijk voor zorgen dat een werknemers alles heeft wat hij nodig heeft. Maar zoals Saskia Van Uffelen het deze middag tijdens een gastlezing op UNIZO zei: “Elk van ons is CEO van zijn eigen leven”.

Ter info, bij de zelfstandigen beschouwt 67% werkstress als niet problematisch. 68% ziet geen probleem in de werk-privébalans. Niet slecht als score, maar toch een pak lager dan bij werknemers. Zelfstandigen werken per jaar 2.277 uur, werknemers 1.434 uur. Het werkbaar werk voor zelfstandigen is allerminst een evidentie. Zij kunnen niet terugvallen op tijdskrediet, loopbaanonderbreking of andere systemen om het werk te verlichten. De reden? Heel simpel: de consument wil altijd bediend worden, en terecht. En met de toename van de rechten voor werknemers om “werk-gezin-ontspanning” beter te combineren daalt de werkbaarheid voor zelfstandigen die werknemers tewerkstellen. Dat zelfstandigen ook kinderen hebben of ouders waarvoor ze willen zorgen is niet een probleem waarvan de regelgever, of nu ook de CM, wakker ligt. Die zelfstandige moet dat maar zelf oplossen.

(Verschenen in DS Avond op 28 november)

 

 

28 november 2014

Trefwoorden bij dit artikel: Werknemers, Werkplek, werk, Werkgever

 

Niet alleen uitgaan van eigen sterktes, maar vooral van wat we samen kunnen doen
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Vlaams minister-president Geert Bourgeois is op handelsmissie met prinses Astrid in Singapore. Hij uitte er het voornemen om meer te focussen op Vlaamse economische missies omdat “bedrijven daar echt vragende partij voor zijn”. Dat voornemen klinkt wel wat vreemd, zeker als je weet dat Vlaanderen net heeft beslist om het aantal prinselijke missies te halveren.

Natuurlijk zijn Vlaamse KMO’s vragende partij. Net zoals voor andere manieren die op exportvlak voor hen een meerwaarde opleveren. Zodat deuren opengaan die anders gesloten blijven. De prinselijke missies hadden en hebben zeker die meerwaarde. Het is geen geheim dat wij de halvering bijzonder jammer vinden. Voor KMO’s zijn ze van groot belang. Zo zegt 2 op 3 KMO’s dat prinselijke missies resultaten opleveren, drie kwart meent dat het net dankzij de missie is en 2 op 5 stelt dat de resultaten zonder een prinselijke missie onmogelijk waren. Dat zeg niet ik, maar wel onderzoek van de UGent. Vandaag exporteert 30 procent van de KMO’s. Er ligt dus nog een enorm potentieel open. Met de halvering van het aantal prinselijke missies valt hiertoe al een pak kansen weg.

Als de Vlaamse regering zich nu engageert om het aantal economische missies niet alleen op te krikken, maar er ook voor zorgt dat minstens evenveel deuren opengaan, dan juichen we dat toe. Maar denken dat se de wereld gaan veroveren door alles alleen te doen is een vergissing. De winnaars van morgenzijnnet diegenen die op een intellligente manier samenwerken. Dat geldt ook voor de overheid.

Bottom line is dat we op alle mogelijke manieren onze positie op de buitenlandse markten moeten versterken. Ook via deelname aan handelsbeurzen bv, voor velen een eerste stap om te proeven van het buitenland. Of individuele FIT-missies. Afhankelijk van de positie van een bedrijf in de markt, zijn lengte van bestaan of behoeften is de ene manier beter dan de andere, maar allemaal zijn ze even belangrijk.

Export is gewoonweg cruciaal voor een open economie, voor ons land. Vlaanderen houdt relatief stand wat export betreft. Maar de voorspelling ziet er niet goed uit. Vlaanderen dreigt wat terug te vallen.  De aandacht voor export mag dus in geen geval verslappen. We moeten er op blijven inzetten. Vooral mogen we niet alleen uitgaan van de eigen sterktes, maar ook van de kracht van het samen dingen doen.

(Verschenen in DS Avond - 27 november 2014)

 

27 november 2014

Trefwoorden bij dit artikel: Export, exporteren, missies

 

Vorige  |1|2|3|4|5|6|7|8|9|10|11|  Volgende
FIT - ROS -LB
Stel uw vraag
BelgacomElectrabelKBCADMBZenito