Wie is hier de echte racist?
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

“Mijn moeder wil graag een poetsvrouw, maar geen buitenlandse”. Met deze slagzin trokken mystery shoppers voor het programma Volt een tijd terug naar de dienstenchequebedrijven. Doel van hun missie: bewijzen dat de bedrijven zich schuldig maken aan racisme. Die bedrijven antwoorden namelijk bijna allemaal dat “dit geen probleem is”.  Hetzelfde geldt voor de KMO-bedrijfsleider die geen allochtoon in dienst wil nemen, omdat “zijn klanten dat niet graag hebben”. Racisten zijn het, die werkgevers, awoe.

Daarom denkt de regering maatregelen te moeten nemen en viseert ze de werkgevers. Kandidaten moeten anoniem kunnen solliciteren, er moeten dwingende streefcijfers komen voor overheidsopdrachten en sociale inspecties, mystery calls… Om de zoveel maanden vinden politici of organisaties wel dé manier uit om ervoor te zorgen dat bedrijven Ahmed of Mohammed de volgende keer niet de deur wijzen.

Racisme aanpakken is natuurlijk terecht. Racisme is verwerpelijk. Bedrijven die zich hieraan bezondigen, horen hier niet thuis. Diversiteit is de toekomst.

Maar valt nu echt niemand iets op? Het is de moeder die geen buitenlandse poetsvrouw wil. Het is de klant die zich niet door een allochtoon wil laten bedienen. Wie is er eigenlijk echt de racist? Toch neemt niemand maatregelen tegen die moeder of die klant. De vraag stellen kan zomaar. Maar o wee als je als werkgever aan de vraag wil tegemoet komen. Niet omdat je racistisch bent, maar omdat je je klant of consument niet wil verliezen. Op het einde van de maand moeten ook zijn rekeningen betaald geraken.

Maar dat is geen reden om racisme toe te laten. Discrimineren op basis van ras, geslacht of andere kenmerken is not done. Je kiest voor een sollicitant op basis van zijn competenties. Elke werkgever die het mij anders komt vertellen, krijgt niets anders dan afwijzing. 

Zo zijn er wel, dat geef ik toe. Maar dus evengoed bestaan er racistische klanten, consumenten, leveranciers, werknemers, ambtenaren of politici. En dat is mijn punt. Je moet discriminatie veel breder aanpakken. Het is een maatschappelijk probleem, niet enkel een probleem van dé werkgevers.

Dat de werkgevers soms wel een duwtje in de rug nodig hebben geef ik ook toe. Maar daar werken we aan. Via Jobkanaal bijvoorbeeld. Elke dag opnieuw sensibiliseren de Jobkanaalconsulenten bedrijven over de meerwaarde van medewerkers uit de kansengroepen. Begeleiden ze de bedrijfsleiders bij de aanwerving van allochtonen, oudere werknemers of mensen met een handicap. Via onze HRM Coach ondersteunen we bedrijven in hun personeelsbeleid, met zeer nadrukkelijk ook de focus op allochtone medewerkers. Geen enkele werkgever mag zich eigenlijk permitteren om zo’n visvijver aan arbeidskrachten links te laten liggen.

Zo bereik je resultaat. Niet op dwingende of betuttelende wijze. Wel door dialoog en samenwerking. Allemaal samen, tous ensemble weet je wel.

 

(Verschenen in De Standaard op 3 april 2015)

03 april 2015

Trefwoorden bij dit artikel: arbeidsmarktbeleid, tewerkstelling, Discriminatie, Allochtoon

 

Met enkel een witte kassa los je fraude niet op
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Het is een ziekte van deze tijd om meteen naar het loofje groen boven de grond te grijpen, in plaats van naar de wortel. Om de brand te blussen terwijl de gaskraan nog open staat. De politiek bezondigt zich hier maar al te vaak aan.

Men ziet een symptoom en gaat als een kip zonder kop het symptoom bestrijden. Maar als je de oorzaak van de ziekte zelf niet aanpakt, hervalt de zieke of gaat die in het slechtste geval dood. Dat neemt niet weg dat je het symptoom zelf ook mag en soms wel moet bestrijden. De witte kassa is zo’n mooi voorbeeld van symptoombestrijding. De ziekte genees je er niet mee, maar ze (de witte kassa) is wel doeltreffend als je ook de oorzaak van het zwartwerk durft aan te pakken.

Wie waagt te zeggen dat er ook een oorzaak is, een reden, waarom mensen op bepaalde prestaties weigeren belastingen of sociale bijdragen te betalen, wordt al gauw in de hoek van de verdedigers van de fraude geduwd. Nochtans is het doel net om fraude zo doeltreffend mogelijk uit te roeien, maar wel op een manier dat er morgen nog ondernemers zijn die liefst evenveel mensen een job aanbieden.

Het idee om het “witte kassasysteem” uit te breiden naar andere sectoren om de fraude daar uit de wereld te helpen, is iets te simplistisch. Politici zwaaien maar al te graag met voorbeelden van andere landen “waar dat allemaal wel kan”, in dit geval Oostenrijk. Ik vind dat zelf ook een mooi voorbeeld. Geef mij morgen de belastingdruk, de loonlastendruk en de arbeidsflexibiliteit van Oostenrijk en we voeren met plezier de witte kassa niet alleen in de horeca, maar ook in de retail in. En met evenveel plezier creëren we nog meer afdoende fraudebestrijdingssystemen voor de bouw en de transportsector door.

Maar het contrast met Oostenrijk kon niet groter zijn. De belastingdruk in ons land is hoog, zeer hoog. Van alle OESO-landen staat België op de derde plaats, na Denemarken en Frankrijk.  De belastingdruk bedraagt 44,6 procent, 0,6 procent meer dan het jaar voordien. Al even zwaar voor ondernemers zijn de hoge loonlasten. In vergelijking met het gemiddelde van onze buurlanden, kost een uur arbeid in België maar liefst 25% meer. Als werkgever denk je twee keer na vooraleer je iemand aanwerft. De cijfers liegen er niet om. Vorig jaar gingen maar liefst 8.677 jobs bij KMO’s verloren. Nefast voor de tewerkstelling. En dan zwijgen we nog over de vennootschapsbelasting, het meer dan verdubbelen van de liquidatiebonus of de dreiging van de meerwaardebelasting op aandelen.

Ondernemers doen wat ze doen uit passie, uit ambitie, om het verschil te maken. Dat ze hun eigen centen moeten investeren of dag en nacht moeten werken, daar stellen ze zich geen vragen bij. Hun gedrevenheid, hun droom, daar gaat het over. Maar het moet haalbaar blijven. En dat is het dezer dagen nauwelijks nog. Nu nog eens een witte kassa invoeren, zonder compenserende maatregelen, zou voor heel wat ondernemers de druppel te veel zijn.

De regering beloofde bij haar aantreden compensaties, in de vorm van lastenverlagingen. Maar na ruim een half jaar regeren voelen ondernemers daar nog niet veel van.  Maak daarom werk van die taks shift. En gebruik de opbrengsten integraal om de loonlasten te verlagen.  Creëer meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt, zodat werknemers langer kunnen werken wanneer dat nodig is zonder de werkgever op extra kosten te jagen. En kijk verder dan de grenzen van ons kleine land. Zwartwerk in een aantal sectoren, zoals de transportsector, is een Europees probleem dat je niet met Belgische regeltjes kan verhelpen.

We willen niets liever dan een afdoende fraudebestrijding, want het scheidt de goede van de minder goede ondernemers, het kaf van het koren. Maar pas op een moment dat het mogelijk is op een legale manier in een zeer concurrentiele markt je zaak te runnen aan een prijs die de consument bereid is te betalen. En daar zijn we nog lang niet.

31 maart 2015

Trefwoorden bij dit artikel: Loonkost, Loonlasten, Loonlastenverlaging, kassa, fraude

 

Wentel een maatschappelijk probleem van burn-out niet enkel op werkgevers af
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Burn-outs lijken wel de welvaartsziekte van de 21ste eeuw te worden. Wat er precies aan de hand is en hoe omvangrijk het probleem is, daarover lopen de meningen uiteen. Wel worden werkgevers vaak met de vinger gewezen. Ze branden in hoog tempo hun eigen ‘human capital’ op in een hang naar productiviteitswinst. Maar dat beeld klopt niet. Ondernemingen hebben alleen maar te verliezen bij werknemers die lijden onder hun werk of er aan onderdoor gaan. Meer nog, diverse onderzoeken tonen aan dat geëngageerde medewerkers beter presteren wanneer ze zich goed voelen op hun werk . We zijn nog geen enkele werkgever tegengekomen die het tegendeel beweert.

In 2012 becijferde de OESO dat mentale gezondheidsproblemen alles samen 3,4% van het BBP (+- 13 miljard euro) aan de Belgische staat kosten. De zorg voor mentale aandoening, waaronder burn-out, vraagt uiteraard aandacht en daadkracht. Ook voor werkgevers. Maar de oorzaak is een maatschappelijk probleem, en niet dat van de werkplek in de eerste plaats.

Vier op de tien werknemers wijt zijn stress aan de combinatie van werk en gezin, aldus een onderzoek dat het Trendhuis in 2013 in opdracht van het Europees Sociaal Fonds voerde. Acht op de tien werknemers denkt met glijdende werkuren de stress te verlichten. Werk heeft dus een invloed op ons psychisch welbevinden, maar voor een groot deel door de combinatie met andere extra-professionele activiteiten.

Als de work-life balance  een invloed heeft op het psychische welbevinden van de mens dienen we de ‘life-factor’ even kritisch te bekijken als de ‘work-factor’. En ons leven is behoorlijk druk. Tien jaar geleden voerde de VUB een onderzoek naar de tijdsbeleving van de Belg. Daaruit bleek dat we sinds de jaren ‘60 aanzienlijk minder tijd besteden aan betaalde arbeid ten voordele van recreatieve tijd en sociale participatie.  Via digitale technologie zijn we vandaag permanent op de hoogte van wat anderen doen, welke feestjes we niet mogen missen, welke boeken we moeten gelezen hebben, welke landen en steden we moeten gezien hebben. De druk van de hyperconnectiviteit op het individu mag niet veronachtzaamd worden.

Als werkgevers onderkennen we de impact van burn-out en andere geestelijke aandoeningen op de samenleving. Als micro-samenlevingen waarin mensen een groot deel van hun dagtijd besteden en met elkaar samenwerken, kunnen bedrijven zelfs een verschil maken. Door te werken aan een bedrijfscultuur waarin werknemers ondersteund worden en gewaardeerd worden. Door conflicten niet uit de weg te gaan maar kordaat aan te pakken. Door rekening te houden met de fysieke en psychische grenzen van onze mensen. We ondervinden ook dat ondernemers daar heus werk van willen maken. Geef hen dan ook de ruimte om dit te doen. Elke ondernemer op zijn manier, aangepast aan de grootte en de specificiteit van zijn bedrijf. Strenge regelgeving en draconische procedures, zoals de vorige regering heeft ingevoerd, zullen niet helpen, maar alleen tot apathie leiden.

En laten we niet vergeten dat een mens meer is dan zijn werk. Elkeen is ook partner van, ouder van, vriend van, kind van, lid van, … Werkgevers hebben invloed op het persoonlijk welbevinden van hun medewerkers, maar dat welbevinden hangt van veel meer af dan enkel het werk. Dus kan ook niet enkel de aanpak op het werk de oplossing bieden.

Caroline Ven (VKW), Pieter Timmermans (VBO), Jo Libeer (Voka) en Karel Van Eetvelt (UNIZO)

05 februari 2015

Trefwoorden bij dit artikel: Werknemers, Werkgever, burn-out

 

Voor een leefbare en bloeiende horeca
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Spandoeken, borden, sirenes, muziek, speeches en een grote menigte mensen die allemaal dezelfde boodschap verkondigen. Het lijken de ingrediënten voor een vakbondsmanifestatie, maar deze keer niet. Gisteren verzamelden honderden horeca-uitbaters op het Brusselse Muntplein om te betogen. Niet tegen de  invoering van de witte kassa zoals sommigen het willen voorstellen. Wel voor een leefbare en bloeiende horecasector na de invoering van de kassa.  

Op dat vlak is deze sector fel veranderd. 10 jaar geleden was er nog een omerta over de manier waarop de sector leefbaar werd gehouden. Vandaag zegt de overgrote meerderheid: we moeten veranderen, alles moet in de legaliteit gebeuren. Het zwartwerk moet de wereld uit. Maar de manier waarop de kassa zijn intrede doet, namelijk het ding invoeren met beperkte compenserende maatregelen, daarover zijn de ondernemers ontzet. De sector vreest zijn ondergang.  

Een kleine rondvraag leert dat die vrees niet ongegrond is. 1 op 5 horeca-uitbaters zegt onmiddellijk de deuren te moeten sluiten. Nog eens 1 op 3 vreest dat in de komende jaren te moeten doen. Slecht nieuws voor een economie als de onze die het moet hebben van ondernemers. Ook voor de consument die graag al eens van café of restaurant wisselt. Willen we een Vlaanderen waarin je niet meer kan kiezen in welk dorpscafé je je koffie of pintje drinkt? Of een Vlaanderen waarin je kan kiezen tussen een ketenrestaurant, fastfoodrestaurant of een van de weinige nog overblijvende sterrenrestaurants om met vrienden of familie eens gezellig te gaan tafelen? Doembeeld?

En wat de werkgelegenheid die we met zijn allen zo graag willen opkrikken? Meer dan 40% van de horeca-uitbaters  zal personeel moeten ontslaan. Slecht nieuws voor tienduizenden werknemers in de horeca. Want zoveel jobs zullen er verloren gaan, berekenden studies van de KULeuven en de UHasselt. Slechts nieuws voor het steeds groeiende aantal werkzoekenden dat hoopt er een job te vinden. Alternatief? De prijs fors verhogen. Dat zegt 9 op 10 te zullen moeten doen. Slecht nieuws voor de consument die alsnog een café in zijn stad gevonden heeft en plots een vijfde tot de helft meer voor die pint moet betalen.  

Zijn er dan geen alternatieven? Uiteraard en gelukkig wel. We kunnen de spreekwoordelijke drooglegging van ons land vermijden door stevige maatregelen te nemen die vertrekken van de realiteit op het terrein. De horeca is één van de meest arbeidsintensieve sectoren. Ze stelt ruim 100.000 werknemers tewerk. Die werknemers krijgen een correct loon voor hun forse prestaties, heel vaak meer dan 38 of 40 uur per week. Maar een deel daarvan ziet spijtig genoeg het daglicht niet. Waarom? Wegens anders onbetaalbaar. Haal die loonlasten fors naar omlaag en we zijn al een heel eind verder. Laat die werknemers ook toe om meer flexibel te werken. De horeca kent geen strikte uren. Wie langer wil werken, moet dat kunnen. Voer de 48-urenweek in waarbij de extra uren forfaitair worden belast.  

En niet alleen voor die horeca-uitbaters of de vele werknemers. Ook voor ons allen. We zijn nog steeds één van de gezelligste regio’s van de wereld met ongetwijfeld het meest aantal vierkante meter terras per capita. Laat ons dat zo houden!

 

 

 

 

 

27 januari 2015

Trefwoorden bij dit artikel: BTW, Horeca, Loonlasten, Loonlastenverlaging

 

Hoeveel shopping heeft Vlaanderen nodig?
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Hoeveel shopping heeft Vlaanderen nodig?

Over de mythe van het nijpend winkeltekort in Vlaanderen

Vlaanderen kampt blijkbaar met een gigantisch tekort aan winkelruimte. Dat moet wel, waarom zouden projectontwikkelaars anders grote winkelmastodonten buiten het centrum van een stad willen neerpoten? Brussel heeft meer dan onvoldoende winkelruimte, want daar streven ze naar maar liefst 3 shoppingcomplexen: Uplace, Neo en Docks. En nu lijkt ook Gent te klein geworden. Het winkelcomplex The Loop aan de rand van de stad moet Gent redden.

Nobele doelstelling, ware het niet dat Vlaanderen allesbehalve kampt met een nijpend tekort aan winkelruimte. Meer nog, de leegstand in onze winkelkernen neemt nog toe. Uit een recente studie van IDEA Consult blijkt dat de afgelopen 7 jaar zo’n 3700 leegstaande winkels zijn bijgekomen, vooral in de traditionele en kleine centra. De totale leegstaande winkeloppervlakte is in die periode zelfs verdubbeld.

Tegelijk is het aanbod aan winkeloppervlakte in de periferie, onder meer in de vorm van baanwinkels, met 1,5 miljoen vierkante meter of 145 procent toegenomen. Ten koste dus van de handelszaken die in het centrum bijdragen tot zijn levendigheid, aantrekkelijkheid en sociale weefsel. 

In plaats van extra winkels buiten de kern bij te bouwen die open ruimte innemen en extra verkeer en luchtvervuiling genereren, zouden lokale en regionale overheden in heel Vlaanderen beter investeren in de leegstaande panden in het centrum. Zorg dat zaakvoerders – zowel van ketenwinkels als van zelfstandige handelszaken – de weg naar het centrum vinden. Of maak van de leegstaande winkelpandenpublieke ontmoetingsplaatsen of gezellige winkelcentra. Niet buiten de stad, maar er middenin, zodat de hele stad er mee van kan profiteren.

Maar het voeren van een consequent winkellocatiebeleid is jammer genoeg weinig steden of gemeenten gegeven. Enerzijds hebben lokale en regionale overheden de mond vol van kernversterking, een stad op mensenmaat, en duurzame mobiliteit. Anderzijds levert men aan de lopende band vergunningen af voor projecten die lijnrecht tegen deze filosofie ingaan. De stedelijke leefbaarheid die met de ene hand gegeven wordt, wordt met de andere onmiddellijk weer ingetrokken. Gent is hier zeker geen uitzondering op.

Het gaat overigens niet om het afleveren van vergunningen alleen. Gewest en gemeenten lopen elkaar voor de voeten om mee te mógen investeren in shoppinginfrastructuur. Het Brusselse Uplace en Docks krijgen hun tram, betaald met belastinggeld. In het Gentse ‘The Loop’-project moet er ‘gewoon’ nog een vierde rijstrook langs de E40 bij, naast een nieuw treinstation op de site en een enorme parking ter waarde van tientallen miljoen euro. Stuk voor stuk investeringen die de Gentenaar betaalt. 

Wil Gent het nieuwe Sint-Niklaas worden? Want die weg gaan we op als The Loop er komt. Een gigantisch outletcentrum buiten de stad met nog een cinema, cafés en ander snelwegvertier. Of denkt de stad nu echt dat bezoekers nadat ze hun koffer gevuld en portefeuille geleegd hebben toch nog even naar de binnenstad zullen afzakken? In de file of via de tram die er twintig minuten over doet?

Slaap zacht lief Gent!

Karel Van Eetvelt, gedelegeerd bestuurder van Unizo Vera Dua, voorzitster Bond Beter Leefmilieu

 

(verschenen in De Standaard op 16 januari 2015)

16 januari 2015

Trefwoorden bij dit artikel: leegstand, shopping centrum

 

Vorige  |1|2|3|4|5|6|7|8|9|10|11|  Volgende

 Volg Karel op Twitter RSS-feed

nationale partners

Stel uw vraag
BelgacomElectrabelKBCADMBZenito