De 'zonde' van de foorkramers
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Smoutebollen eten is een zonde, maar wel een hele leuke. En ik heb er wat gegeten in mijn leven. Eén van mijn vroegste herinneringen speelt zich af op de kermis van Bornem. Na een ritje op de botsauto’s heerlijke smoutebollen eten. De kermis, dat was plezier maken, vriendjes ontmoeten, en dat allemaal onder het toeziend oog van onze ouders vanop een terrasje aan de rand van het centrumplein.  

Een kermis is een feest en werkt liefst kernversterkend. Op de Zuiderdokken trok de Sinksenfoor elk jaar ongeveer een miljoen mensen aan. Ze hotsen op en neer op de vele attracties, deden zich te goed aan de lekkernijen of vingen eendjes. Daarna ging een groot pak van die mensen nog iets eten in de omliggende horecazaken of op verkenning in de winkelstraten. Voor de foorkramers, een 200-tal gezinnen, betekende de Sinksenfoor meer dan een derde van hun omzet. Voor de ondernemers in de buurt van de Zuiderdokken creëerde de kermis een piek in de cijfers.

Waar je een kermis neerpoot, heeft met andere woorden een belangrijke implicatie niet alleen op de foorkramers zelf, maar op de economie in het algemeen. Zes buurbewoners (zes!) beslisten om de Sinksenfoor van de Zuiderdokken te bannen. Op basis van het Not-In-My-Backyard-sydroom, ofwel NIBI. Het is een ziekte van deze tijd, en wel een heel besmettelijke. Denk maar aan de protesten rond Tomorrowland, de Gentse Feesten, Werchter, maar ook tegen luchthavens, windmolens, bedrijventerreinen, kinderopvang en zelfs tegen speelpleintjes. Moet ik nog doorgaan? We kunnen nog weinig verdragen.

Geen blokkades

Maar de wet is de wet. Het juridische dossier maakt duidelijk dat de Sinksenfoor niet langer toekomst heeft op de Zuiderdokken. Is dat jammer? Zeer zeker. Het komt er nu op aan om op een andere plaats op een even mooie en vooral duurzame toekomst te creëren voor de Sinksenfoor, liefst ook met een kernversterkend effect, net zoals ze op de Zuiderdokken had.

Daar moeten we samen voor zorgen: foorkramers, stadbestuurders en ondernemers. Oplossingen die we samen zoeken werken, tegen elkaar ten oorlog trekken of blokkades opzetten, resulteert in enkel verliezers. Net zoals Barack Obama het deze week inspirerend verwoordde.

(verschenen op www.deredactie.be op 28 maart 2014)

28 maart 2014

Trefwoorden bij dit artikel: machtiging kermisattractie

 

Hoever kan het wantrouwen tegenover ondernemers gaan?
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Onze vakbonden hebben jarenlang geroepen dat arbeiders tweederangsburgers zijn omdat hun ontslagregeling iets minder voordelig was dan die van bedienden. Ik moest er vandaag aan denken toen ik de kop van De Tijd las over de verregaande schending van de privacy door de fiscus in het kader van de fraude-aanpak. De fiscus, nu gedekt door enkele gerechtelijke uitspraken, interpreteert de fiscale visitatie zeer ruim en maakt er nu een de facto huiszoeking van. Die uitspraken geven de belastinginspecteurs carte blanche om ook de privéwoning van een ondernemer binnen te vallen en daar alle laden en kasten open te trekken. Alles onder het mom van de zogenaamde aanpak van de fiscale fraude, althans zo verdedigt staatssecretaris voor fraudebestrijding John Crombez de aanpak en de uitspraken. En wie kan er nu iets hebben tegen het pakken van mensen die bewust de Staat op een zware manier oplichten? Niemand toch? Inderdaad, maar tot daar de theorie. De praktijk geeft immers een heel ander beeld. Want niet alleen de echte fraudeurs worden met deze toch wel zeer verregaande methodes geconfronteerd. Ook en steeds vaker doorsnee ondernemers die hun uiterste best doen om de hypercomplexe en steeds groeiende wetten en regeltjes op te volgen. Niet alleen door de fiscus, ook door sociale controleurs.

Zo kreeg ik vanmiddag het verhaal te horen van een ondernemersfamilie die vorig jaar het slachtoffer is geworden van de economische crisis. 2 jaar keihard gevochten om het bedrijf en de werkgelegenheid toch overeind te houden. Tot hun laatste eigen centjes erin gestoken. In de moeilijke periode altijd netjes het met de RSZ afgesproken afbetalingsplan gerespecteerd. Maar toch het onderspit moeten delven. Jarenlang keihard werken, andere mensen werk en inkomen verschaft en niets meer overgehouden. En dan krijg je de “dankbaarheid” van de Staat voor die jarenlange inzet: een inval van de RSZ op het moment dat man en vrouw elders aan het werk zijn. Want voor alle duidelijkheid, waar de werknemers na het faillissement zeker zijn van een meer dan redelijke uitkering vallen man en vrouw zelfstandige terug op zo goed als niets. Die moeten dus noodgedwongen asap terug aan de slag of er komt letterlijk geen brood op de plank voor de kinderen. De inval mag je letterlijk nemen. De sloten opengebroken, niet alleen van het bedrijf maar ook van de privé. In de privé alles opgeschreven, kasten, zetels, muziekinstallatie,… noem maar op. Zelfs stukken die meer dan 10 of zelfs 20 jaar oud zijn. Een briefje op de deur dat de sleutel voor het nieuwe slot dat de slotenmaker op de deur heeft moeten zetten kan afgehaald worden bij de politie. Nadien de boodschap dat als ze niet kunnen bewijzen dat wat in de privéruimten stond wel degelijk privé is aangekocht het door de Staat zal aangeslagen worden. Probeer maar eens een factuur van iets wat je twintig jaar geleden hebt aangekocht terug te vinden!

Ik ga mij niet uitspreken over hoeveelste rangburgers zelfstandigen zijn in vergelijking met andere mensen in onze samenleving. Daarover gaat het ook niet. Waar het over gaat is dat deze aanpak getuigt van een grenzeloos gebrek aan respect voor ondernemers, voor het risico dat ze nemen, voor de toegevoegde waarde en daardoor de welvaart die ze creëren voor al die andere burgers is. Als puntje bij paaltje komt worden ze vogelvrij verklaard en door de overheid gewantrouwd. Ondernemers zijn de steunpilaren van onze welvaart. Daar ga je respectvol mee om, niet wantrouwig.

(verschenen in De Standaard van 22 maart 2013)

 

22 maart 2014

Trefwoorden bij dit artikel: Fiscaliteit, Inspectie, controlesinspecties, controles, controleseninspecties

 

Discriminatie is niet uitsluitend de schuld van werkgevers
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

In de lente komen de blaadjes altijd weer aan de bomen, in de herfst waaien ze er weer af. Het nieuws in onze kranten is wat zoals de seizoenen. Alles komt terug en telkens klinkt de boodschap dezelfde. Zoals die over de discriminatie op de Belgische arbeidsmarkt. De cijfertjes in het rapport of de studie verschillen nog soms eens, maar de conclusie blijft ongewijzigd: “allochtone werknemers krijgen geen kansen omdat de werkgevers discrimineren”.

We moeten er geen doekjes om winden. De werkzaamheidsgraad van niet-Belgen is niet denderend, je mag zelfs zeggen dramatisch laag.  En het eindrapport van het Europese Netwerk tegen Racisme (DS 17 maart 2014) slaat ons opnieuw met tekende cijfers om de oren. Van de ‘native’ Belgen heeft 5,6 procent geen job, bij bijvoorbeeld onze Maghrebijnse medemens is dat maar liefst 25,9 procent. De “schuld” hiervan uitsluitend bij de werkgevers leggen, zoals vakbonden, minderheidsorganisaties en een deel van de politici en politieke opinie doen, is de bocht evenwel veel te kort nemen. 

Werkgevers kiezen tot nader order nog steeds de juiste persoon voor de juiste job. Iemand die een toegevoegde waarde levert voor het bedrijf zodat de aangeboden producten of diensten op de markt waardevol genoeg zijn. De kandidaat-werknemers, van welke afkomst dan ook, moeten  inspanningen leveren om de juiste competenties te verwerven. De toegang tot de arbeidsmarkt begint dus niet bij de werkgever, maar wel op de schoolbanken.  Verhoog de kwalificaties en competenties en je verhoogt de evenredige arbeidsdeelname. Dit is zeker een belangrijke taak voor het onderwijs. Anderzijds heeft de allochtone bevolking zelf een rol te spelen. Jongeren moeten ook thuis gestimuleerd worden om te leren, om te werken, om een bijdrage te leveren aan de maatschappij. 

Media werkt stigmatiserend

Werkgevers gaan natuurlijk niet helemaal vrijuit. Er zijn voorbeelden van discriminatie. Werkgevers die zich hieraan schuldig maken, moeten gestraft worden, dat moge duidelijk zijn. Discriminatie is niet alleen onaanvaardbaar, vanuit economisch oogpunt is het ook dom. Alleen maar verwijzen naar de negatieve voorbeelden werkt evenwel stigmatiserend. Allochtonen krijgen op den duur het idee dat ze toch geen kans maken op een job. Het solliciteren heeft volgens hen dan ook geen zin meer.

Ik ga niet ontkennen dat sommige werkgevers onwennig staan tegenover allochtonen of dat werkgevers soms, misschien zelfs vaak, een duwtje in de rug nodig hebben om ook aan dat potentieel aan arbeidskrachten te denken. Een verhoogde inschakeling van deze doelgroep vraagt ook een aangepast HR-beleid, maar vooral een wil om gemotiveerd met al deze verschillende mensen op je eigen werkvloer om te gaan. De vele mooie en goede voorbeelden en ervaringen van bedrijven die dit bewust doen moeten de bestaande drempels bij nog te veel andere bedrijven wegnemen. Hier een tandje bijsteken is geen overbodige luxe. Binnen onze eigen organisatie lopen hiertoe enkele mooie projecten om werkgevers hierin te begeleiden en ik ben het eens dat we die nog moeten versterken en verbreden.

Een divers team denkt out of the box

Werkgevers hebben er alle belang bij om ook allochtone werknemers in dienst te hebben. Een divers team denkt meer out of the box, net omdat het bestaat uit verschillende culturen en waarden.  Als bedrijf kan je ook een betere dienstverlening aanbieden, omdat je werknemers als “ervaringsdeskundigen” als geen ander aanvoelen wat de noden en behoeften zijn in een meer mondiale wereld. 

Het blijft “eigenaardig” om ook in crisistijd veel klachten te horen over de krapte op de arbeidsmarkt of het niet vinden van geschikt personeel wanneer tegelijk een deel van die arbeidsmarkt bewust of onbewust onvoldoende wordt aangeboord. In deze tijden kunnen werkgevers het zich niet permitteren om een grote groep aan arbeidspotentieel links te laten liggen.

18 maart 2014

Trefwoorden bij dit artikel: Discriminatie, Allochtoon

 

De goede oude tijd?
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Een studie van Idea-Consult in opdracht van de Vlaamse Regering heeft het nog eens bevestigd: het gaat niet goed met het "kernversterkend beleid" in Vlaanderen. De cijfers zijn duidelijk: de winkelpanden in de periferie, buiten de kernen dus, zijn tussen 2008 en 2013 met 1,5 miljoen m² toegenomen. In diezelfde periode nam het aanbod in de kernen van onze steden en gemeenten af met 114.000 m². De leegstand steeg er van 4,6% naar 7,2%. Conclusie: de vernieuwde Ikea-wet die moest leiden tot een versterking van het winkelaanbod in de kernen heeft grondig gefaald. Het nieuwe winkelbeleid van de Vlaamse regering is nog te pril voor resultaten, maar is meer dan ooit nodig.

Belangrijker evenwel dan de cijfers is het waarom van dat "kernversterkend beleid". Is dat wel nodig? Moeten we niet de "evolutie" volgen zoals sommigen zeggen en het winkelen in de kernen van vooral onze gemeenten in Bokrijk onderbrengen? De consument doet toch niet liever dan naar perifere shoppingcentra gaan. Hij vindt een globaal aanbod op een beperkte oppervlakte omzoomd door een gigantisch parkeerterrin waar Koning auto kan meespelen in de speeltuin van enkele grote projectontwikkelaars.

Ik herinner mij dat enkele communicatiegoeroes ons verzet tegen shoppingcentra à la Uplace afdeden als conservatisme van een clubje nostalgici die de evolutie willen tegenhouden. Diezelfde goeroes klagen in andere columns wel steen en been als de onveiligheid in hun eigen dorp, waar ze in alle rust zijn gaan wonen, toeneemt, als de sociale cohesie en de sociale controle er verdwijnt. Dan moeten er striktere (conservatieve?) regeltjes komen, strenge (GAS-)boetes en liefst nog veel meer blauw op straat om dat, vaak jong, zootje ongeregeld betere manieren te leren.

De goede oude tijd?

Die mensen zijn duidelijk vergeten hoe het er "in hun tijd toen alles nog beter was" aan toe ging. Ik herinner mij zelf dat wanneer ik 35 jaar geleden als jongeling iets mispeuterde, mijn vader of moeder het vaak al wisten nog voor ik thuis kwam. De mensen ontmoetten elkaar toen, nog veel meer dan nu. Ze praatten met elkaar en boodschappen gingen heel snel rond. Er was toen amper blauw op straat, kattenkwaad moest niet gereguleerd worden en van GAS-boetes was zeker geen sprake. Het was ook niet nodig. De samenleving organiseerde zichzelf, er was sociale controle dankzij de contacten. En waar ontmoetten de mensen elkaar toen? Juist, grotendeels in de handelskernen van onze gemeenten waar iedereen zijn boodschappen deed, elkaar zag en met elkaar praatte.

Wil ik terug naar de tijd van 35 jaar geleden? Neen. Ik wil moderne winkels met eigentijdse producten die een antwoord geven op de huidige behoeften van de consumenten. Gelukkig zijn die er nog in een aantal steden en gemeenten, zij aan zij met charmante familiezaken van generatie op generatie overgegeven, maar met aandacht voor de veranderende behoeften. En ik wil die in de kernen houden. De kernen waar ze er nog zijn, moeten we dus maximaal ondersteunen. Steden en gemeenten waar de handelszaken meer en meer plaats moeten ruimen voor baanwinkels of shoppingcentra in de periferie moeten we van het belang van een kernversterkend beleid overtuigen. We moeten ze aanzetten om bestaande winkels te behouden en nieuwe aan te trekken.

Ik heb geen heimwee naar de winkeltjes van toen, wel naar de tijd van vlakbij boodschappen doen, meer sociaal contact , meer sociale controle, minder blauw op straat en geen GAS-boetes. En ik denk dat ik niet alleen ben.

(verschenen op: www.deredactie.be)

28 februari 2014

 

GAS-boetes voor jongeren
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Geef jongeren een GAS-boete wanneer ze alcohol, tabak of loterijproducten kopen. Eén zin, één titel was voldoende om een regen aan reacties te ontketenen. Lees er de sociale media of de lezersbrieven maar op na. Waar we in godsnaam mee bezig waren, vroeg menigeen zich af.  

Ik weet ook wel dat we de mensen die nooit voor de wettelijke leeftijd aan de borrel van vader nipten of een pint bestelden op café op één hand kunnen tellen. Het is ook helemaal niet onze bedoeling om een heksenjacht te organiseren. Maar feit is dat op jonge leeftijd drinken of roken ongezond is. De gevolgen zijn gekend. En we herinneren ons allemaal, jammer genoeg, de jongere die na een fuif dronken in de Brugse dokken belandde en verdronk. Het beleid wil hier paal en perk aan stellen, terecht.

Wat ons stoort, is de inconsequente houding van dat beleid. Slechts één stakeholder wordt verantwoordelijk gesteld voor deze problematiek: de zelfstandige handelaar en cafébaas. Terwijl het toch de jongeren zelf zijn die de alcohol nuttigen of de sigaret opsteken. Het zijn toch niet allemaal loktieners? Zij willen roken en drinken. Krijgen ze het niet van de handelaar of cafébaas, dan komen ze er wel aan via een oudere vriend of vriendin. Heel frustrerend voor de handelaar om de verkoop aan een jongere te weigeren en die dan even later doodgemoedereerd en vooral ongestraft zijn pintje voor de winkeldeur te zien achterover slaan. Of wees maar eens de handelaar die na een weigering slaag krijgt. In de meeste gevallen blijft een weigering beperkt tot een discussie met de jongere (of zijn ouders). Maar één op de vijf winkeliers krijgt geregeld te maken met verbale agressie en in één op de twintig winkels komt het nu en dan zelfs tot fysieke agressie.

Wie is verantwoordelijk?

Wie tabak of alcohol aan min 16-jarigen verkoopt, krijgt een boete. Op tabak of alcohol als jongere kopen of gebruiken, staat geen sanctie. Dat is toch wel een zeer dubbelzinnig systeem. Je gaat toch ook niet de autoverkoper aansprakelijk stellen wanneer je bent geflitst? Wil je als maatschappij dus echt vermijden dat jongeren gebruiken, dan moet je het probleem in zijn geheel aanpakken. En dat betekent én de jongere, én zijn ouders én de handelaar verantwoordelijk stellen. Want voor alle duidelijkheid, wij vinden dat ook de handelaar zijn rol moet spelen.

Ons voorstel heeft niets te maken met het verschuiven van verantwoordelijkheid. Maar als een jongere zich ondanks de wet oud genoeg voelt om te drinken of roken, dan vinden wij dat hij ook oud genoeg is om zijn verantwoordelijkheid te nemen en er desgevallend voor gestraft te worden.

In Nederland zijn ze al zover. Sinds januari 2013 zijn jongeren voortaan strafbaar als ze alcohol bij zich hebben op openbare plekken. Een verbod om alcohol aan die jongeren te verkopen, sluit daar naadloos op aan. De Nederlandse gemeenten houden toezicht op de naleving van de wet.

Wat de sanctie moet zijn dat maakt ons eigenlijk niet zoveel uit. Ze moet ontradend werken en in ieder geval moet de sanctie, welke dan ook, overal dezelfde zijn. Maar het belangrijkste is dat we debat aangaan. Tussen pot mag altijd, tussen pint enkel voor de plus 16-jarigen.

(verschenen op deredactie.be)

10 februari 2014

 

Vorige  |1|2|3|4|5|6|7|8|9|10|11|  Volgende
Stel uw vraag
BelgacomElectrabelKBCADMBZenito