Toen Vlaams minister-president Kris Peeters onlangs de krachtlijnen van het nieuwe Vlaamse distributiebeleid voorstelde, was de kritiek van de grote jongens in de sector niet van de poes. “Baanwinkels verbieden is pure regelneverij” klonk het.
De voorbije 5 jaar hadden de projectontwikkelaars alvast niet te klagen over enige vorm van regelneverij whatsoever. De federale IKEA-wet – die de inplanting van grote winkeloppervlaktes regelt – legde hen bijzonder weinig in de weg.
Het volstaat er de cijfers op na te slaan. 5 jaar IKEA-wet: 3.000.000m² winkeloppervlakte vergund. De 5 jaar ervoor was dat amper 1.400.000m². Meer dan een verdubbeling op 5 jaar tijd dus. En de helft van de nieuw vergunde handelszaken zijn baanwinkels.
Met die sfeer van vrijheid-blijheid wil de Vlaamse regering komaf maken. Geen dag te vroeg. Invalswegen volplanten met baanwinkels komt immers niemand ten goede. Behalve dan de projectontwikkelaar.
De Vlaamse overheid – of een andere - heeft zich inderdaad niet te moeien met het verbieden van winkels hier of daar. Maar, elke overheid moet wel de voorwaarden creëren voor levendige centra, een vlotte mobiliteit en een beleid ontwikkelen rond ruimtelijke ordening.
Lukraak koopdozen rondstrooien aan weerszijden van Vlaamse wegen staat daar haaks op en mag dus niet langer kunnen.
Op een beredeneerde manier ruimte geven aan handelszaken die veel ruimte nodig hebben zal ook in de toekomst nog kunnen. Met het credo dat hierrond duidelijkheid mag gecreeerd worden is niets mis.
21 september 2010 | 0 reactie(s)
Trefwoorden bij dit artikel: karelvaneetvelt
