Uplace heeft U-turn nodig
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

- Ook verschenen in De Standaard op 31/5/12 -

Vlaams minister Schauvliege deed het dus toch. Ze opende als laatste Vlaams minister de weg naar het grootwinkelbedrijf Uplace. De Vlaamse regering keerde zich daardoor tegen een groot aantal betrokken Vlaamse steden en gemeenten, tegen de deputatie van Vlaams-Brabant, tegen de milieuorganisaties, tegen Unizo en zelfs tegen het advies van de eigen ambtenaren. Sterker, de Vlaamse regering ondergraaft daarmee de eigen winkelnota over de toekomststrategie van de retailsector in Vlaanderen.

Politieke deal

Onbegrijpelijk maar helaas niet onverwacht. Nochtans waren er meer argumenten tegen dan voor de milieuvergunning. Eerder werden al vergunningen geweigerd omdat ze de realisatie van 'algemene milieudoelstellingen lucht' in gevaar zouden brengen. Zo is er recent de weigering geweest van een milieuvergunning voor een steenkoolcentrale (elektriciteitscentrale) in de Antwerpse haven.

Maar ook de noodzakelijke mobiliteitsvoorwaarden zijn niet vervuld. Tot 2020 zullen de noodzakelijke investeringen in het openbaar vervoer niet gebeurd zijn; noch voor de beloofde tramlijnen, noch voor het beloofde treinstation. De toestroom van jaarlijks acht miljoen bezoekers zal daarom zorgen voor 25.000 extra mobiliteitsbewegingen per dag, bijkomende milieuhinder en extra overschrijdingen van de fijn-stofnormen. De minister zondigt op die manier ook nog eens tegen de klimaatdoelstelling om tegen 2020 30 procent minder C02 uitstoot te verwezenlijken. Tenzij de minister ter compensatie alle andere bedrijven zal vragen om nog minder uit te stoten, wat onrealistisch lijkt.

In essentie gaat het hier duidelijk om de uitvoering van een politieke beslissing, een politiek compromis dat twee dagen voor de jongste Vlaamse verkiezingen werd gesloten. Een deal waarbij het schoonmaken van een vervuild industrieterrein als wisselgeld moest dienen om een immens vastgoedproject te realiseren.

Gemeentekernen versterken, doe je dat zo?

Op papier kreeg de promotor inderdaad geen garantie. Maar de Vlaamse regering liet zich wel gijzelen middels een forse boete mocht de gemaakte brownfielddeal niet kunnen doorgaan. Precies daar wrong de schoen. Wellicht ligt daar de echte sleutel voor de vergunningen. Want de winkelnota van de Vlaamse regering staat daar haaks op. Die vertrekt vanuit het kernversterkend beleid in steden en gemeenten met goed ruimtelijk ingeplande distributieparken buiten de centra. Dat soort beleid krijgt wereldwijd de steun van heel wat experts inzake ruimtelijke ordening, mobiliteit en hedendaagse stadsvernieuwing. Zelfs in de VS trappen de grote shopping malls stilaan op hun adem.

Voor alle duidelijkheid. We hebben niks tegen de betrokken vastgoedpromotor. Met dezelfde argumenten als die van de Uplace-promotor plannen trouwens nog twee andere promotoren een paar kilometer verder, weliswaar in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, twee soortgelijke 'innovatieve' belevenisprojecten. In al die projecten wordt uiteraard van de overheid verwacht dat ze zelf ook een flinke duit zal investeren in de noodzakelijke toegangswegen, zodat de klanten vlot, met de wagen of openbaar vervoer vanuit de stad of hun gemeenten 'innovatief' kunnen winkelen, eten en drinken. In die zin betalen we als belastingbetalers allemaal mee voor Uplace.

Kijk naar Limburg (en over de grenzen)

Het Uplace-gedoe doet ons trouwens denken aan het vroegere, even 'innovatieve en ambitieuze' Fenix-project. Ook toen heette het een absolute noodzaak voor de Limburgse reconversie. Fenix kwam er niet. Onder meer Genk en Hasselt investeerden inmiddels fors in hun binnenstad. Net als trouwens Lille, Amsterdam, Barcelona en Berlijn hebben gedaan. Steden die zich niet hebben laten overtuigen door dit soort projecten, al dan niet toegekend à la tête du client of naargelang van de toevallige politieke coalities in de betrokken gemeenten of in het land. Daar moeten we vanaf.

Wij bepleiten een coherente toekomststrategie inzake ruimtelijke ordening, milieu en mobiliteit, waarin ondernemers creatief en rechtszeker aan onze welvaart kunnen meewerken. Daarom ondersteunen we volop de winkelnota van deze Vlaamse regering. Ook daarom stappen we nu naar de Raad van State tegen de niet-consequente beslissing van diezelfde Vlaamse regering.

31 mei 2012

 

Een lastenverlaging voor de laagste lonen is een slecht idee
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Verschenen in de Tijd op 30/5/2012
Mede ondertekend door Pieter Timmermans, directeur generaal VBO

"Elk voorstel in het relancedebat dat leidt tot meerkosten of bijkomende lastenverhogingen voor de bedrijven, is onaanvaardbaar."

Pieter Timmermans en Karel Van Eetvelt Directeur-generaal van het VBO en gedelegeerd bestuurder van Unizo Het debat over het optrekken van onze concurrentiekracht is gestart. Zo is de PS voorstander om de 1 procent van de bedrijfsvoorheffing die de bedrijven mogen inhouden af te schaffen en de vrijgekomen middelen te heroriënteren, door de nadruk te leggen op specifieke categorieën zoals de lagere lonen. Dat is geen goed idee. Sommigen bestempelen lastenverlagingen als 'fiscale cadeaus' voor bedrijven. Wie zich de vraag stelt waarom die lastenverlagingen er in feite zijn gekomen, krijgt plots een heel ander verhaal. Op dat vlak vormt de lineaire lastenverlaging die de PS wil afschaffen een mooi voorbeeld. Volgens de Centrale Raad voor het Bedrijfs- leven (CRB) steeg onze loonkostenhandicap in de periode 2007-2008 zeer sterk. Terwijl de loonkosten in onze drie buurlanden met 4,7 procent toenamen, stegen ze in België met 6,9 procent. Om te vermijden dat onze loonkostenhandicap een structureel karakter krijgt, moet die ontsporing volgens de wet van 1996 over het concurrentievermogen in de volgende loononderhandelingsronde worden gecorrigeerd. In zijn rapport van november 2008 besloot de CRB evenwel dat de verwachte loonkostenontwikkeling in onze buurlanden voor de periode 2009-2010 exact gelijk was aan de stijgende loonkosten bij ons als gevolg van ons systeem van automatische indexering. Er waren dus maar twee opties om de loonkostenontsporing in de periode 2007-2008 te corrigeren: ofwel de indexering slechts gedeeltelijk toekennen, ofwel ze niet in vraag stellen en de loonkostenontsporing gedeeltelijk compenseren via een lineaire lastenverlaging. Omdat het indexdebat toen - net als nu - onbespreekbaar was, werd voor een lineaire lastenverlaging gekozen.

Versnellen

Die lineaire lastenverlaging was cruciaal om het verlies aan concurrentiekracht door de loonkostenontsporing in de periode 2007-2008 gedeeltelijk te herstellen. Het voorstel van de PS komt er nu op neer dat sommige sectoren (met name die met een beperkt aandeel van lage lonen bij hun werknemers) alsnog de rekening krijgen voorgeschoteld: zij zien hun loonkosten plots opnieuw versnellen, net nu hun internationale concurrentiepositie al onder zware druk staat. Het is dan ook een raadsel hoe het PS-voorstel de concurrentiepositie van onze economie kan versterken. Een heroriëntering van bestaande lastenverlagingen waarbij sommige sectoren worden bevoordeeld en andere worden benadeeld, vormt niet de juiste insteek. Als men daadwerkelijk iets wil doen aan onze loonkostenhandicap, moeten eerder de volgende twee denksporen worden gevolgd. Er moet meer zekerheid in ons loonvormingssysteem worden ingebouwd, waardoor de kans op verdere loonkostenontsporingen wordt verkleind. Er zijn verschillende wegen mogelijk, al dan niet complementair. Behalve een hervorming van ons indexsysteem die ons minder kwetsbaar zou moeten maken voor externe prijsschokken (zoals een forse stijging van de olieprijs), zou ook het correctie- mechanisme in de wet van 1996 kunnen worden aangescherpt. Er zou ook een buffer in de voorspelling van de CRB kunnen worden ingebouwd, om rekening te houden met mogelijke voorspellingsfouten.

Historisch

Er moet tevens werk worden gemaakt van het opnieuw afbouwen van onze historische loonkostenhandicap. Loonmatiging blijft cruciaal, maar zelfs dan zal het een tijdje duren - zelfs wanneer de loonkostenontwikkeling in Duitsland ietwat zou versnellen - vooraleer we die zullen hebben weggewerkt. Daarom moet ook een lineaire lastenverlaging worden bestudeerd. Compenserende maatregelen op het niveau van de begroting moeten in de eerste plaats uitgavenbesparingen en niet alternatieve financieringsbronnen viseren: met een broekzak-vestzakoperatie waarbij de lasten voor de ondernemingen langs de ene kant worden verminderd om dan weer langs de andere kant te worden verhoogd, helpen we immers het concurrentievermogen niet echt vooruit. In de weken die komen moet de regering concrete en ambitieuze maatregelen nemen om de concurrentiepositie van onze ondernemingen te verstevigen. Elk voorstel dat leidt tot meerkosten of tot bijkomende lastenverhoging is in dat debat bij voorbaat onaanvaardbaar. Het gaat hier bovendien niet enkel om loonkosten, maar ook om bijvoorbeeld energie, arbeidsorganisatie en administratieve vereenvoudiging. Aangezien het hier in de meeste gevallen om sociaaleconomische hervormingen gaat, kan dat perfect gebeuren zonder dat het 1 eurocent aan de schatkist kost. Indien we onze economische groei en de creatie van jobs op een duurzame manier willen ondersteunen, is dat de weg die we moeten bewandelen. In het moeilijke economisch klimaat van vandaag hebben we geen seconde meer te verliezen.

30 mei 2012

 

Hoe KMO-energieprijzen betaalbaar te houden
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

 

De federale regering heeft recent de energieprijzen tijdelijk bevroren, maar daarmee is het werk niet af. Integendeel, het is een tijdelijke maatregel die zeer snel door meer structurele ingrepen moet aangevuld en vervangen worden.

De uitdaging en vooral het antwoord op die uitdaging is opnieuw een hot topic in de media. Toch is dat Belgisch energiedebat niet uniek. Ook in onze buurlanden is het brandend actueel. Frankrijk en Duitsland worstelen met de herkomst van hun energie, en ook in België wordt gediscussieerd over het al dan niet langer openhouden van de kerncentrales. Alleen wordt de nood aan duidelijkheid en een duurzame oplossing acuter. Ook de problematiek van het ondersteuningsmechanisme voor groene stroom is een belangrijk onderdeel van het energiedebat.

Europese energietaksenvergelijking
 
België is een land met hoge arbeidslasten en heeft in de EU het imago van relatief lage energie- en milieulasten. De accijnzen op brandstoffen zijn in België laag t.o.v. de meeste andere Europese landen. Al zorgt dat voordeel op zich al voor een negatief effect: de inflatie speelt in België sterker als de olieprijzen stijgen. Immers, moesten de accijnzen hoger zijn, dan zou de impact van de olieprijsstijging relatief minder doorwegen. Maar belangrijker nog, is dat het energiedebat niet enkel gaat over (motorvoertuig)brandstofprijzen. Dat maakt dat we niet in algemene bepalingen kunnen stellen dat de belasting op energie in ons land laag is. Energie gaat immers ook over elektriciteit. En net daar is het Belgische en Vlaamse verhaal toch wat anders.
 
Hoe komt dat? In Europese vergelijkingen van energiebelastingen worden de taksen en lasten op energie sensu stricto benaderd. Dat wil zeggen dat de specificiteit van de bijkomende Vlaamse en federale “bijdragen” niet in rekening worden gebracht. In de vergelijkingen wordt met andere woorden geen rekening gehouden met bv. ons Vlaams mechanisme van sociale en ecologische openbare dienstverplichtingen, zoals bv. de gratis 100 kWh-politiek en de groenestroomondersteuning. Die openbare dienstverplichtingen worden doorgerekend in de energiefactuur. De kosten van het mechanisme van groenestroom-certificaten vallen grotendeels buiten de Europese energietaksenvergelijking. Wie de totale som maakt, komt wel degelijk op een stroomfactuur die in België duurder is als in de meeste andere Europese landen. Vooral het verhaal van de groene stroom maakt daarin het verschil.

Groene stroom
 
Dat Vlaamse systeem van groenestroomcertificaten – ingevoerd in 2002 - is op zich doeltreffend, met een positieve impact op het milieu. Het is ook eenvoudig: elke energieleverancier moet verplicht een bepaald percentage van zijn geleverde stroom halen uit hernieuwbare energiebronnen. Per MWh geproduceerde groene energie krijgt de producent daarvoor een groenestroomcertificaat. Leveranciers die zelf onvoldoende groenestroom produceren, kunnen - om aan hun verplichte aandeel groene stroom te komen - groenestroomcertificaten aankopen van andere groene energieproducenten. Op die manier ontstaat er een marktmechanisme rond groene stroom.
 
Op zich een goed systeem. Ook KMO’s en particulieren kunnen zo de certificaten verkrijgen voor de stroom die zij zelf maken via bijvoorbeeld zonnepanelen. Die zonnepanelencertificaten kunnen ze zelfs inleveren bij de distributienetbeheerder die hen een gegarandeerde prijs betaalt die hoger is dan de marktprijs. Alleen knelt hier het schoentje: de distributienetbeheerder die de gegarandeerde hogere prijs betaalt moet die certificaten vroeg of laat terug verkopen aan een veel lagere marktprijs. Het verschil per zonnepanelencertificaat – minimaal 125 euro - wordt doorgerekend in het distributienettarief.

Pervers effect
 
Dat zorgt voor een pervers effect: de stroomprijs wordt steeds verder opgedreven. Wat in het leven is geroepen om energie te vergroenen, zorgt ervoor dat de prijs van energiedistributie steeds verder opgedreven wordt. Daarom moet ingegrepen worden. Men zou al kunnen beginnen met het beperken of schrappen van de subsidiëring van verbranding van huishoudelijk restafval via groenestroomcertificaten. Er moet ook een einde komen aan praktijken van energieleveranciers die de boeteprijs voor groenestroomcertificaten doorrekenen i.p.v. de certificatenmarktprijs.

De marktprijs voor certificaten ligt immers een stuk lager dan de boeteprijs. Naar analogie met Wallonië kan onderzocht worden of we de kosten voor groene stroom niet beter gedeeltelijk uit de distributienettarieven halen. Nog een manier om in te grijpen op die dure distributienettarieven is een verlaging van de energiedividenden. De vraag stelt zich of het nog langer te verantwoorden is dat distributienetbeheerders zichzelf een ‘billijke vergoeding’ van 6,5 % op het ingezette kapitaal uitbetalen. Waarom moeten die dividenden zo hoog zijn? Als de netbeheerders een langere afschrijvingstijd van hun kabels en leidingen doorvoeren en hun winstmarges inperken, zou zowel de particuliere consument als de KMO hiermee gediend zijn.

Dringende ingrepen noodzakelijk
 
Om het prijsverhogend effect van groene stroom te milderen voor energie-intensieve ondernemingen, heeft de Vlaamse regering een degressief systeem ingevoerd voor de verplichting aan groenestroomcertificaten. Dat wil zeggen dat vanaf een bepaald gebruik per jaar, de leverancier minder groenestroomcertificaten moet inleveren.

De Vlaamse drempel om te kunnen genieten van degressiviteit m.b.t. de groenestroomcertificatenverplichting moet verlaagd worden. In de huidige regelgeving geldt er pas degressiviteit vanaf een verbruik van 20 GWh/jaar. In de toekomstige regeling zou er degressiviteit gelden vanaf een verbruik van 1 GWh/jaar. Gevolg zou zijn dat niet enkel multinationals zoals Nyrstar en BASF genieten van degressiviteit, maar bv. ook diepvriesgroentebedrijven en vele andere energie-intensieve middelgrote productiebedrijven.
 
Dringende ingrepen in het groenestroombeleid zijn noodzakelijk en essentieel om de impact op de KMO-energieprijs te beperken. Minister Freya Vanden Bossche en de Vlaamse Regering werken er aan en beloven een aantal ingrepen op korte termijn, maar om prijzen beheersbaar te houden zijn er meer structurele federale en Vlaamse maatregelen noodzakelijk op de middellange termijn.

23 mei 2012

 

De creatieve rebellen van nu
Karel Van Eetvelt | De kijk van Karel

Jonge starters, met karakter en een duidelijke eigen stem: ze bestaan. En ik ben er fan van. Zeker als zij de minister-president durven wijzen op de opportuniteiten in ons land en niet meegaan in de onheilsberichten van enkele “captains of industry”. Zo’n gedrevenheid is hoopgevend. Positieve rebellie, noemde het trendbureau Trendwolves dit soort van collectieve creativiteit eerder. Alleszins precies de stoutmoedigheid die we nodig hebben om de negatieve teneur achter ons te laten.
 
Jonge ondernemers zien kansen en boksen in al hun positivisme op tegen de onheilstijdingen waar wij – tegen wil en dank – ook soms aan meedoen. Opportuniteiten zitten voor Belgische jongeren in ons hoge opleidingsniveau en – paradoxaal genoeg – ook in het feit dat ze ondernemen in een overgereglementeerd en duur land. Dat dwingt hen om een kwalitatief hoog niveau te halen en zeer efficiënt te zijn.
 
Maar daarbij komt de laatste jaren nog een troef: creativiteit. Klonk “het is wel een creatieve jongen” vroeger schertsend, dan is de meerwaarde van creativiteit nu steeds meer verworven. Zwemvijvers bouwen om mee te surfen op de ecologische trend, lege huiskamers combineren met de hype van fotografie, … overal zitten opportuniteiten en worden ook kansen gegrepen door jonge mensen. Het is inspirerend om zien hoe jonge ondernemers deel willen zijn van de oplossing, en niet langer berusten in het probleem.
 
Onze taak als ondernemersorganisatie mag dus zeker niet zijn om die beginnersdrive te breken. Het springen en het effectief beginnen is net een van de belangrijkste sleutels tot succes. De slaagkansen liggen ook opnieuw hoger, 70% van alle starters doen het na vijf jaar goed, blijkt uit onze startersatlas. Velen onder hen staan financieel sterk genoeg om op een solide manier te kunnen ondernemen.
 
Toch blijven maatregelen om ondernemerschap aan te moedigen noodzakelijk. Voor 2012 loopt het starterscijfers immers terug, wellicht met 3% ten opzichte van 2011. De context blijft ook moeilijk: net werd door Eurostat nog maar eens bewezen dat België de hoogste arbeidskosten van heel Europa telt. Dat heeft nefaste gevolgen op lange termijn: een ondernemer die zich blauw betaalt aan belastingen zonder er veel aan over te houden, verliest langzaam maar zeker ook een deel van zijn motivatie.
 
Want wie onderneemt neemt immers een risico. Een risico op basis van passie, gedrevenheid, goesting, know-how, dat wel. Maar niet voor niets: een risico vraagt om rendement. In een bank ligt dat rendement op risicokapitaal 15% of meer. Waarom moet een ondernemer dan met veel minder te tevreden zijn? Dan kan hij de mislukking beter helemaal vermijden en zijn geld op de bank laten staan. Een samenleving moet aanvaarden dat een ondernemer – als hij slaagt en met de moeite die hij zich getroost om er iets van te maken – een leefbare return krijgt. Wie dat bemoeilijkt, onder meer door geen verantwoordelijkheid te nemen in een dringende aanpak van de hoge loon- en arbeidskosten, verhindert het ondernemerschap in Vlaanderen.

04 mei 2012

 

Stel uw vraag
BelgacomElectrabelKBCADMBZenito