De blog van Karel

Ook ons boegbeeld Karel Van Eetvelt laat regelmatig van zich horen. En niet alleen op TV of via de radio, maar ook via zijn blog. In duidelijke blogartikels slaat hij meer dan regelmatig de nagel op de kop. 
Hieronder vindt u de meest recente blogberichten van Karel. 

"Twee maanden gewaarborgd loon slecht voor zowel werkgevers als werknemers"

"De Taxshift: Wat met onze KMO’s?"

Twee maanden gewaarborgd loon slecht voor zowel werkgevers als werknemers

Door Karel Van Eetvelt / 29 juli 2015

Nu de uitbreiding van het gewaarborgd loon naar twee maanden van tafel is geveegd, krijgt de federale regering weer de wind van voren. Volgens de vakbonden dooft dit asociaal “cadeau” aan de werkgevers “het enige lichtpuntje in het regeerakkoord”. Dit lijkt wel op de toepassing van het principe “the enemy of my enemy is my friend”.  Ze vergissen zich. De verplichting om bij arbeidsongeschiktheid gedurende twee maanden het gewaarborgd loon door te betalen, zou nefaste gevolgen hebben gehad voor werkgevers èn werknemers.

Toen vorig jaar bekend geraakte werkgevers bij ziekte ook de tweede maand loon van hun zieke werknemer zelf moesten uitbetalen, lokte dat enorm veel ongeruste reacties uit bij ondernemers. Op een paar dagen tijd ontvingen we meer dan 1.000 individuele reacties. Ongezien. Heel wat kleine werkgevers, bijvoorbeeld met twee of drie werknemers, draaien net genoeg omzet om hun werknemers uit te betalen en er zelf een maandelijks inkomen uit te halen. Als één van die hen dan voor een langere periode ziek valt, wordt het moeilijk. Nu geldt al de verplichting om twee tot vier weken gewaarborgd loon te betalen, afhankelijk van het statuut van de betrokken werknemer. Dat zijn twee tot vier weken waarin de noodzakelijke mankracht wegvalt of de werkgever dubbel betaalt aan een (minder ervaren) vervanger.

De betaling van het gewaarborgd loon na die periode is gesolidariseerd. Er worden sociale bijdragen voor betaald die ervoor zorgen dat elke langdurig zieke werknemer, ongeacht het bedrijf, een uitkering krijgt. Het voorstel van de regering was dus eigenlijk een desolidarisering van het systeem én een meerkost voor de werkgevers. Naast de sociale zekerheidsbijdragen die ze al betaalden voor het solidaire systeem zouden ze nog eens een maand extra loon moeten betalen. De enige winnaar? De staatskas.

Logisch dus dat de werkgevers deze maatregel niet zagen zitten. Bovendien is dit ook niet de juiste manier om meer preventie aan te moedigen. Dit gaat immers voorbij aan de realiteit dat in veel gevallen werkgevers geen of weinig vat hebben op ziektes van hun werknemers. Langdurige ziekte of arbeidsongeschiktheid heeft vaak niets met het werk te maken. Werkgevers kunnen ook weinig doen in het genezingsproces, behalve dan de werknemer moreel bijstaan. En ook al speelt de werkgever wel een rol in de ziekte, dan nog kan hij niets doen om de werknemer weer aan het werk te krijgen. Het is de behandelende arts die een getuigschrift opmaakt. De werkgever mag – omwille van privacy redenen – zelfs niet op de hoogte gesteld worden van de reden waarom de werknemer afwezig is. Hij kan ook geen initiatief nemen om de werknemer te laten onderzoeken door een preventie-adviseur arbeidsgeneesheer, tenzij de werknemer daar zelf om vraagt.

Wat je niet hoort of leest, is dat ook de werknemers zelf weinig baat hadden bij de uitbreiding van de periode van het gewaarborgd loon. Vandaag krijgt een zieke werknemer zijn eerste maandloon voor de volle 100% door de werkgever uitbetaald. Daarna valt hij terug op de ziekteverzekering. Die uitkering is niet 100%. En dat zou ook nooit het geval zijn, mocht de tweede maand gewaarborgd loon er zijn gekomen. Vanaf het begin had de regering de bedoeling om het bedrag gelijk te stellen aan dat wat werknemers vroeger van de ziekteverzekering kregen. Dus voor werknemers maakt het weinig uit of ze dat geld nu van de ziekteverzekering of van hun werkgever krijgen. Voor de werkgevers maakt de maatregel natuurlijk wel een fundamenteel verschil. Zij gingen opdraaien voor de kosten. De vakbonden lijken dus eerder uit leedvermaak zo enthousiast te zijn geweest over een maatregel die de loonkost voor de werkgevers verhoogt. Heel vreemd want elke dergelijke loonkostverhoging vermindert de kans op extra jobs.

Bovendien zouden werkgevers hun zieke werknemers ook kunnen proberen te overtuigen om toch vroeger weer aan het werk te gaan, om extra kosten te vermijden. Daar heeft niemand iets aan. Noch de werkgever, noch de werknemer. En voor werknemers met een medisch verleden, zouden dit als een rode vlag op hun cv blijven meedragen. Hoeveel werkgevers zouden het risico durven lopen om zo iemand aan te werven, wetende dat die regelmatig langdurig afwezig kan zijn? 

De regering Michel nam de juiste beslissing genomen om de periode van het gewaarborgd loon niet naar twee maanden uit te breiden. Hopelijk kunnen we de komende maanden nu tijd en energie steken in voorstellen die mensen langer en gezonder aan het werk houden.

(Verschenen op www.demorgen.be op 28/07/215)

De Taxshift: Wat met onze KMO’s?

Door Karel Van Eetvelt / 24 juli 2015

De berg heeft geen muis gebaard. Het akkoord over de taxshift lijkt op het eerste gezicht fundamenteler dan gedacht. Zolang de invulling ervan met gezond verstand gebeurt.

Even recapituleren. Wat was de doelstelling van een taxshift? De lasten op arbeid verlagen, compenseren met andere belastingen om zo als hoger doel op een duurzame manier meer jobs te creëren. Een logische volgende vraag is dan: Waar en hoe creëer je het meeste jobs? 

De hoe is niet moeilijk, alle rapporten zijn het daarover eens. Door in te zetten op een loonkostenverlaging voor de lage en gemiddelde lonen. En waar zitten die lage en gemiddelde lonen? Bij de meest arbeidsintensieve bedrijven, onze eigen KMO’s. De lasten op arbeid bij die KMO’s verlagen, garandeert dus een maximum aan banen.

Wat leert the proof of the pudding? De regering zet inderdaad stevig in op de loonkostenverlaging. Maar de vraag waar die lastenverlaging uiteindelijk terecht komt, blijft open. De werkgeversbijdrage verlagen van 33 procent naar 25 procent, zoals aangekondigd, is interessant, maar dient onze eigen KMO’s weinig of niet. Zij geven vooral werk aan lager geschoolden. En laat de werkgeversbijdragen op die lonen nu al lager dan 25 procent zijn. De maatregel is voor hen een maat voor niets. Het helpt hun competitiviteit niet vooruit.  Als de regering echt meent dat ze meer jobs wil, dan moet ze daarmee rekening houden.

Of de taxshift goed aangewend wordt, moet dus nog blijken. Overigens gebruikt de regering een belangrijk deel niet om de kost te verlagen, maar om de nettolonen van de werkenden te verhogen. Nobel en leuk en ook nodig, maar dit is niet de eerste prioriteit voor onze economie. Meer jobs, daar draait het om. De bouwsector alleen al verloor in het eerste kwartaal van dit jaar meer dan 5.000 jobs. Dat is erger dan Ford Genk. Het kleinste kind kan de rekensom maken op lange termijn.

De financiering van de taxshift is wel een huzarenstukje. De regering volgt grotendeels de aanbevelingen van onder meer Europa. Consumptie en niet-ecologisch gedrag extra belasten en het vermogen aanspreken zonder verder negatief economisch effect. Zo komt er geen meerwaardebelasting op de verkoop van aandelen, tenzij het over een speculatieve verkoop gaat. Hier zegeviert het gezond verstand. Een meerwaardebelasting zorgt er alleen maar voor dat een ondernemer na de verkoop minder geld over houdt om te investeren. In zijn eigen bedrijf of in andere bedrijven. Dat zou de economie niet ten goede komen.

De verhoging van de roerende voorheffing, de speculatie- en kaaimantaksen zijn dan weer echte “vermogensbelastingen” die voor extra inkomsten moeten zorgen. De consumptie- en milieutaksen beogen vooral gedragswijzigingen. Gezonder en milieubewuster leven betekent minder belastingen betalen.

De grote vraag is uiteraard of de verwachte inkomsten duurzaam zijn. Net zoals het een vraagteken blijft of de lastenverlaging nu echt bij de bedrijven van eigen boden terechtkomt. De toekomst zal het ons leren. Eén ding is zeker: Gebeurt dit niet, dan kunnen we een kruisteken maken over een duurzame werkgelegenheid in ons land. En als gevolg over een duurzame koopkracht. Want een job blijft nog altijd de basis voor koopkracht. 

(Verschenen in De Standaard op 24 juli 2015)