"Hang je hoofd nooit onder de schouw"

Wat doet een mens in godsnaam aan om schoorstenen te vegen? Krijg ik dat zwart nog wel uit mijn kleren? En hoe zal mijn haar er uit zien na een dagje op een dak staan? Ja, dat zijn zowat de eerste vragen die bij Paulien en mij opkwamen toen we tot een dagje schoorsteenvegen met Franckie Vermandel besloten. Misschien daarom dat er zo weinig vrouwen als schoorsteenveger aan de slag zijn? Wie weet. Exacte cijfers zijn er niet, maar een kleine zoektocht op Google leert dat het er maar een handvol zijn. In alle geval, een jeansbroek en een fleece leken mij een goede keuze, aangevuld met een T-shirt van Franckies bedrijf. Op risico van een onmiddellijke verbanning uit de stamboom door mijn metekind van 15. Want “een fleece is zoooo uit mode, meter!”.  

“Ik ken zelf maar een vrouwelijke schoorsteenveger”, vertelt Franckie ons meteen. “Nu ja, eigenlijk is ze meer een man-vrouw. Want als schoorsteenveger moet je wel tegen een stootje kunnen”. Dat merken we bij onze eerste klant. Mijnheer wil een palletkachel in plaats van zijn huidige gaskachel. Dus moeten wij controleren of de schouw een palletkachel wel aankan. Eerste taak: de gaskachel verplaatsen om tot bij de schouwingang te kunnen. We moeten toch serieus duwen. “Die vind je al zwaar? Wacht maar tot je een echte gietijzeren kachel in handen krijgt”, lacht Franckie.

OK, het is duidelijk. Je moet als schoorsteenveger toch over een zekere fysiek beschikken. Zelf is hij nochtans geen Arnold Schwarzenegger. Hij heeft een normale lichaamsbouw. Al verhullen de dikke hoodie en werkbroek natuurlijk veel. Ik kijk meer naar zijn ogen. Helblauw en heel intrigerend. Ze priemen recht naar binnen vanonder zijn hoge hoed – de traditionele klederdracht van de schoorsteenveger – die Franckie voor de gelegenheid opzet. Maar zijn oogjes blijken de uiterlijke getuige van zijn zachte, maar soms ook ondeugende karakter. Niet zelden vermaakt hij ons en de klanten met een grapje of leuk verhaal. Maar wat mij vooral charmeert, is zijn prachtige Gentse tongval. Die trouwens nooit stilvalt. Als je denkt dat vrouwen veel kunnen zeggen op een dag dan ken je Franckie nog niet.  

Samen met Franckies collega Sven helpen we om de schouw te stofzuigen. Maar veel stof komt er niet uit, ze was dan nog maar net geveegd. Franckie zelf gaat het dak – een puntdak – op. Wij mogen niet mee, wegens te gevaarlijk. Paulien kijkt wat sip. Zij zag zichzelf al Spidermangewijs het dak opklauteren. "Allez, zo flauw", moppert ze. Zelf ben ik stiekem blij. Echt hoogtevrees heb ik niet, maar ik sta nu ook niet te springen om op een puntdak te staan. En met twee kleine koters aan het thuisfront ben ik extra voorzichtig geworden. Franckie geeft me gelijk: “Je moet dan ook echt wel uit je doppen kijken. Ik ben ooit eens bijna van een dak 'getotterd'. Mijn schoen was nog nat en ik gleed uit over een dakpan. Op een fractie van een seconde lag ik in de dakgoot. Gelukkig kon ik me nog net vastklampen. Ik verzeker je dat je dan wel meer op je hoede bent.”

Een goed kwartier later staat Franckie weer veilig beneden. Met naast hem een tevreden klant. Zijn schouw is proper en hij heeft de bevestiging van Franckie dat hij een palletkachel kan plaatsen. “Ene van maximum 20 cm diameter”, gaf Franckie hem nog mee. “Ja, je moet altijd een kachel kiezen in functie van de schouw. Beter iets kleiner gaan, maar dan wel een kachel die goed trekt, dan te groot waarbij het hout smeult in plaats van brandt. Maar eigenlijk begint alles bij een goede plaatsing of constructie van de schouw. Wij hebben al veel meegemaakt, hoor. Buizen die in de verkeerde richting zijn gestoken, of verkeerde aftakkingen… Of schoorstenen van koppelwoningen die letterlijk tegen elkaar zijn gebouwd. Met daarop nog een gemeenschappelijke kap tegen de regen. Dan kan het niet anders dat ene gewoon de rook van de andere binnen trekt.”

En daar heeft onze volgende klant vooral last van. Franckie ging al verschillende keren door de schouw, maar mevrouw blijft rook binnentrekken. Hij stelt de vrouw voor om de gemeenschappelijke regenkap te vervangen door een individueel exemplaar, zodat de rook van de buurman niet meer in haar schoorsteen terecht komt. Terwijl Franckie de praktische zaken regelt, vragen Paulien en ik of we even naar het toilet mogen. Dat probleem heb je dan ook weer als vrouw. Een man heeft aan een boom genoeg, maar zelf zit ik toch liever op een stevige pot. Die zich in het geval van mevrouw in de badkamer bevindt. Meteen krijg ik een intieme inkijk in het leven van de dame. Een badkamer vertelt verrassend veel. Welk ondergoed of nachtgoed iemand draagt. Of welke medicatie iemand gebruikt. Ook zie je veel door naar het interieur te kijken. In dit geval oerklassiek: zware houten meubelen, schilderijen met landelijke taferelen omkaderd met een houten frame, echte tapijten met oosterse motieven, veel fotolijsten… Iets helemaal anders dan deze morgen. Daar hing een geur van cannabis, leek er geen onderscheid tussen de keuken, garage en living (overal lag rommel en naast de zetel stond de koffiezet) en de man des huizes liep er zijn pyjama.  

“Wij zien inderdaad veel”, zegt Franckie. “We komen ook overal, he. Van in de kelder tot op de zolder. Wat mensen ook niet weten, is dat je doorheen de schoorsteen alles hoort. Ook al fluister je beneden, je hoort het tot op het dak. Maar horen, zien en zwijgen is ons motto. Het zijn je klanten en die behandel je met respect. Je leert wel veel bij, dat is een feit. Oude rijken zijn bijvoorbeeld heel respectvol. De nieuwe rijken zijn het ergst. Bij West-Vlamingen geraak je nooit buiten zonder iets gedronken of gegeten te hebben. In Antwerpen zorg je dan weer best dat je zelf eten en drinken bij hebt. En in Brussel krijg je soms nog een fooi toegestopt. Maar dat is dan misschien uit medelijden (lacht).” Ik kan het alleen maar beamen. Ik mag dan misschien in Oost-Vlaanderen wonen, mijn roots liggen aan de zee. Ook bij mij gaat geen enkele stielman buiten zonder een koffie of een frisdrank. Het is met de paplepel ingegeven. Als iemand aanbelt, voor een karwei of gewoon voor het plezier, is de eerste vraag steevast: Wil je iets drinken?

Het wordt middag en er knaagt een hongertje. Galante Franckie stelt voor om een broodje te halen terwijl wij al naar de volgende bestemming rijden: zijn recent gekochte huis. Een typisch huis uit de jaren ’60, met binnenin – zo ontdekken we later – authentieke elementen. Een marmeren trap met speciale trapleuning, echte retro-deuren, dambord-tegels… Wel prachtig. In zo’n huis zo ik wel kunnen wonen. Ik zag meteen het potentieel. Vooral de ligging is een enorme troef. Te midden van de weilanden, maar toch met je neus tegen Gent.

Franckie is volop bezig met de renovatie. Ook de schoorsteen verdient een oplapbeurt. Terwijl we in de auto op Franckie en ons broodje wachten, denken we over pro’s en con’s van het beroep van schoorsteenveger na. “Je bent heel de tijd buiten en je komt echt overal”, argumenteert Paulien meteen. Ik moet haar gelijk geven. Mijn enige buitenlucht haal ik tijdens de werkweek uit een korte wandeling na de lunch. Voor de rest zit ik ofwel in mijn auto, ofwel achter mijn computer, ofwel ergens binnen voor een interview. Mijn wangen genieten nu al duidelijk van die paar uur lentezon van deze morgen. De buitenlucht is dus zeker een plus. Ook al zit je ook bij min 5 of in de gietende regen buiten. Maar volgens weerman Frank Deboosere regent het maar 7,1% van de tijd. Dat moet dus meevallen.

Een ander voordeel is het sociaal contact. We merkten dat je echt wel tijd hebt om even een babbeltje te slaan met de klant – we blijven een vrouw! Zoals bij de dame deze morgen. In tegenstelling tot onze eerste klant ging ze niet naar een andere kamer, maar bleef ze bij ons. Niet om ons nauwlettend in de gaten te houden (of misschien wel), maar wel om af en toe eens iets te vertellen. Dat het weer wel goed is voor de tijd van het jaar, dat haar kleinkinderen net over de vloer waren geweest – we hadden de foto’s van hen al lang zien staan op de haard –, dat er toch wel veel zwart uit de schouw komt… Ik kan me voorstellen dat je bij sommige klanten ook een halve psycholoog moet zijn. Of dat je het enige vertier van de dag vormt voor de – eerder – oudere klanten. Maar fysiek is het beroep niet te onderschatten. Op en af een dak klauteren, kachels versleuren, en dan natuurlijk het kuisen van de schouw zelf. Zo’n bal weegt al snel een paar kilo en je moet – weten we over een goed uur – die echt wel een aantal keer in en uit de schouw trekken voor een goed resultaat.

En dan heb je nog het vuil. Nu, ja. Echt vuil zijn we vandaag nog niet geworden. Franckie gaf ons deze morgen veelbelovend een mondmasker en een paar handschoenen, maar die zijn nog steeds vrij maagdelijk wit. Zo vuil is het beroep dan toch niet, of wel?  “‘Zo zwart als roet’ is bij ons echt geen overdrijving”, lacht Franckie wanneer hij ons weer vervoegt. De ene dag ben je natuurlijk vuiler dan de andere. Een bepaald voorval ga ik nooit vergeten. Mijn collega en ik waren bezig een vogelnest te verwijderen. Hij in de kelder, ik op het dak. Nu, als je een vogelnest verwijdert moet je van onder naar boven werken. Anders stamp je die takken gewoon verder aan. Hij was dus aan het koteren en plots hoor ik die door de schoorsteen heen keihard vloeken. Meteen daarna zie ik door de open voordeur een pikzwarte walm naar buiten komen. Even later die collega. Echt, die was zo zwart als mijn T-shirt. Je kon hem enkel aan zijn ogen herkennen. Ik kwam niet meer bij van het lachen. In dit huis voorzien we trouwens een douche op het gelijkvloers. Ik mag pas binnen van mijn vrouw als ik daarlangs gepasseerd ben.”

Genoeg gepraat, de plicht roept. Deze keer mogen we wel het – platte – dak op. Een stevige ladder en een galante hand van Franckie later staan we met onze neus boven de schouw. Die ziet er vrij zwart uit. Franckie geeft ons de bal. Voorzichtig laten we die naar beneden. Hij is verrassend zwaar, maar enthousiast trekken we die een paar keer op en neer. Minzaam neemt Franckie het van ons over. Aan een serieus sneller tempo. We genieten dan maar wat van het uitzicht. Niets dan weilanden. Zalig. In de verte doemt de Sint-Baafs van Gent op. Dit zou ik wel gewoon kunnen worden. Wat moet je eigenlijk doen om schoorsteenveger te worden, vraag ik me daarbij af.

“Weinig. Vandaag mag iedereen zich schoorsteenveger noemen. Ik vind dat erg. Zelf heb ik een diploma, een van de weinigen. Er zijn zeker cowboys in de sector, zoals in elke sector. Ik moest ooit eens bij een mevrouw gaan omdat haar schouw niet trok, ook al was er al een ‘collega’ langs geweest. Ik zag al snel hoe dat kwam. Die charlatan had in de schouw een inox buis gestoken, wat nodig was. Maar in de plaats van die tot beneden te laten doorlopen, stak er maar een buisje van één meter in. Schandalig en stielbederf.”

“Het is trouwens niet eens echt verplicht om je schouw jaarlijks te laten vegen. De wet zegt dat je de schouw moet onderhouden als ‘een goede huisvader’.  Maar dat is rekbaar, hé. Dus als je brand hebt of andere problemen is het zogezegd uw eigen verantwoordelijkheid wegens ‘niet geveegd of onderhouden’. In Duitsland is het veel beter geregeld. Daar krijgt elke wijk jaarlijks een schoorsteenveger toegewezen die verplicht langskomt.”

Ons werk op het dak zit er op. Wel moeten we nog de schouw langs onder stofzuigen. Paulien vliegt letterlijk de haard in. Haar hoofd net niet in de schouw. “Pas op”, roept Franckie. “Nooit doen, want je weet nooit of er roet naar beneden valt. Als je je ogen niet wil kapot maken, steek dan nooit je hoofd vlak onder de schouw”. Gelukkig draagt Paulien een bril. Zoals gewoonlijk was ik iets voorzichtiger gaan liggen, op tijd dus voor Franckies waarschuwing.

Nog een beginnersfout van ons beiden, we beginnen meteen aan de uitgang van de buis te stofzuigen. Terwijl ervoor heel wat vuil ligt.  “Als je niet wil dat je al vanaf de start zwart bent, dan stofzuig je naar de ingang van de haard toe”, vertrouwt Franckie ons toe. Erg vinden wij het niet. Zo zijn we toch nog een beetje zwart.

Onze dag zit erop. We mogen beschikken. “Zo kan ik toch nog wat echt werken vandaag”, knipoogt Franckie. Inderdaad, veel werken moesten we niet van Franckie. Hij heeft ons gespaard. Toch was ik best wel moe die avond. En mijn wangen gloeiden. Van de buitenlucht, maar ook wel van de spanning. Want het was ook echt een leuke dag.

Wie geen schrik heeft van hoogtes, beschikt over een portie kracht, niet te beroerd is om bij weer en wind buiten te werken en een dosis klantvriendelijkheid voor de dag kan leggen (maar moet niet elke ondernemer dat?), kan deze job aan. Man én vrouw. Of het echt een job voor mij zou zijn, dat is weer iets anders. Maar dat heeft dus meer te maken met mijn interesse dan met mijn sekse. In elk geval hebben Paulien en ik er een hoop ervaring en herinneringen op zitten. En nog een kleine extra. Want een schoorsteenveger de hand schudden, zou geluk brengen. Na een dagje meelopen zitten wij op rozen, dat is zeker.

Schoorsteenvegen als vrouw: de pro's en con's! 

 

PRO CON
De ene schouw en klant is de andere niet Niet geschikt voor vrouwen met kunstnagels
Je komt letterlijk eens buiten Evenmin geschikt voor vrouwen met een afgemeten haarcoupe
Je bent meestal graag gezien en met wat geluk krijg je iets te eten en drinken Fragiele dames kiezen best een andere stiel 
Stofzuigen kunnen vrouwen zogezegd sowieso dus dat aspect mag geen probleem zijn