Taks Shelter voor startende bedrijven zwaar onderbenut in Limburg

UNIZO Limburg en Kamerlid Wouter Raskin willen meer Limburgers aanzetten om hiervan gebruik te maken

Om de zoektocht naar geld te vergemakkelijken voor jonge bedrijven nam de federale regering het initiatief tot oprichting van de Taks Shelter voor starters vanaf 1 juli 2015. Particulieren die investeren in jonge vennootschappen genieten een belastingvermindering van 30 tot 45 % op het bedrag dat ze investeren. De particuliere investeerder kan maximaal 100.000 euro per jaar via de taks shelter-regeling investeren. De belastingvermindering bedraagt 30 % van het geïnvesteerde bedrag in kleine vennootschappen en 45 % in microvennootschappen. Microvennootschappen voldoen aan volgende criteria:
 
    •    jaargemiddelde van het personeelsbestand: 10 werknemers;
    •    jaaromzet, exclusief btw: € 700.000;
    •    balanstotaal: € 350.000.
 
Hoe werkt het systeem van Taks Shelter voor starters?
De investering moet gebeuren naar aanleiding van de oprichting van de vennootschap of naar aanleiding van een kapitaalverhoging binnen de 4 jaar na de oprichting ervan. Het gaat in beide gevallen om vennootschappen die ten vroegste op 1 januari 2013 werden opgericht.
De investeerder kan maximum 100.000 euro per jaar via de taks shelter-regeling investeren. De maximale participatie in het kapitaal die in aanmerking komt voor het fiscaal voordeel, bedraagt 30%. Als de voormelde drempel van 30% wordt overschreden, wordt de belastingvermindering beperkt tot een investering ten belope van de eerste 30%.
 
Wie maakt gebruik van de Taks Shelter?

Uit cijfers, die kamerlid Wouter Raskin (N-VA) opvroeg bij minister Johan Van Overtveldt, blijkt nu dat voor het aanslagjaar 2016 (inkomsten van het jaar 2015) in totaal voor een bedrag van bijna 16 miljoen euro (15.989.309) aan kapitaal door belastingplichtigen werd verstrekt aan jonge vennootschappen. Hiervan werd 54% (8.602.952 euro) verstrekt door belastingplichtigen in Vlaanderen, 11 % in Brussel en 35% door Waalse belastingplichtigen. De woonplaats van de belastingplichtige is dus bekend, niet de woonplaats van de vennootschap waarin de kapitaaldeelname gebeurt.

Opvallend is dat van het totaal bedrag van bijna 16 miljoen euro 90% (14.381.953 euro) gaat naar de microvennootschappen en slechts 10 % naar de kmo-vennootschappen. Het hogere fiscaal voordeel van 45% voor de kapitaalverstrekking aan microvennootschappen tegen 30% voor de kapitaalverstrekking aan kmo-vennootschappen is hier uiteraard niet vreemd aan. “Dit is een bewijs dat een dergelijke maatregel werkt en dat de omvang van het fiscaal voordeel sterk bepalend is voor het gebruik ervan”, haalt Wouter Raskin terecht aan. Het aandeel van het kapitaal aan de microvennootschappen is in Brussel en Wallonië met respectievelijk 96% en 97%, beduidend hoger dan het aandeel van 85% in Vlaanderen.
 
Limburg scoort opvallend laag
Op provinciaal vlak zijn de belastingplichtigen in Antwerpen koploper met een totaal bedrag van 2.490.001 euro over de tweede jaarhelft van 2015, of een aandeel van 29% in Vlaanderen. Antwerpen wordt hierin van nabij gevolgd door Vlaams-Brabant met 2.472.698 euro. Opvallend is het zeer lage aandeel van de Limburgse belastingplichtigen die slechts 392.938 euro verstrekten in het kapitaal van de jonge vennootschappen.
 
“Met een aandeel van nog geen 5 % in Vlaanderen scoort Limburg wel bijzonder laag”, zo stelt Bart Lodewyckx. "Wij hopen dat de cijfers voor 2016 beduidend beter worden voor Limburg, maar meer aandacht voor deze maatregel kan geen kwaad. In onze contacten met starters zullen wij dan ook nog meer wijzen op het bestaan van deze maatregel. Enerzijds voor het belangrijke fiscaal voordeel dat familie en vrienden van de starter kunnen doen, maar anderzijds natuurlijk ook op de mogelijkheid voor de startende vennootschap om op een gemakkelijke wijze kapitaal ter beschikking te krijgen", aldus Lodewyckx. Aangezien de maatregel de eerste 4 jaar kan toegepast worden, is het ook belangrijk dat groeibedrijven hiervan meer gebruik gaan maken.
 
"Uit contacten met startende vennootschappen hebben we ook de indruk dat de maatregel te weinig bekend is. Hierdoor kunnen starters te weinig pro-actief voorstellen doen aan familie, vrienden of kennissen om kapitaal te verstrekken. De andere tax shelter, die voor de filmindustrie, wordt meer gepromoot en we zien daar ook een groter gebruik. Naar particulieren toe kan meer nadruk gelegd worden op het rendement dat ze op hun kapitaal kunnen realiseren, in tegenstelling tot het zeer lage rendement op spaarboekjes."
 
“Een grotere alertheid van zowel particulieren als bedrijven voor dergelijke maatregelen is uitermate belangrijk” volgens Wouter Raskin. "Niet in het minst voor de nieuwe maatregel uit het Zomerakkoord waarbij eenzelfde taks shelter-regeling uitgewerkt wordt voor groeibedrijven in hun 5e tot 10e levensjaar", besluit Wouter Raskin.