Loonstijgingen: alle remmen los? Iedereen is de klos.

Op 20 juni komen de vakbonden op straat. Opnieuw. Nog geen drie weken na de vorige actiedag, is de volgende al in zicht. UNIZO verwerpt deze manier van werken van de vakbonden ten stelligste. Wij roepen ACV, ABVV en ACLVB dan ook op om het populisme te stoppen. Populisme, inderdaad, want de vakbonden blijven maar doen alsof de lonen dit jaar met slechts 0,4% zullen stijgen. Dat is - zoals onze gedelegeerd bestuurder Danny Van Assche onlangs zei - 'absolute lulkoek'. Om dat grijsgedraaide narratief te counteren, hebben wij onze studiedienst aan het werk gezet. Hieronder ontdek je hoe de stijging van de lonen in ons land geregeld is, waarom dat systeem ervoor zorgt dat de lonen in ons land sneller én hoger stijgen dan in onze buurlanden, en waarom zelfs dat voor de vakbonden niet volstaat.

Het kader dat de loonpolitiek in ons land regelt: de loonnormwet

In 1996 loodste de regering Dehaene de loonnormwet door het parlement. Die wet moest er voor zorgen dat de lonen in de privésector niet sneller stegen dan in de buurlanden. Want België zorgt de automatische loonindexering er voor dat de lonen automatisch meestijgen met de inflatie. Dat is echter in bijna geen enkel ander land, met uitzondering van Luxemburg, Cyprus en Malta het geval. De aangepaste loonnormwet bepaalde dat het voortaan de taak van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven was om op basis van de indexatievooruitzichten in ons land en de gemiddelde loonstijging in Nederland, Frankrijk en Duitsland, te berekenen hoeveel marge er -bóvenop de index- nog was voor een loonstijging. Kort door de bocht: als de lonen in onze buurlanden met gemiddeld 5% stijgen en de inflatie wordt in ons land berekend op 4,6%, dan blijft er nog een stijgingsmarge over van 0,4%.

De Zweedse regering van premier Charles Michel verstrengde de wet echter door o.a. een 'veiligheidsmarge bij de berekeningen in te bouwen, en door een eerdere overschrijding van de norm verplicht in mindering te brengen bij het bepalen van de loonnorm voor de volgende twee jaar. Dat is nog steeds een erg belangrijk punt van kritiek van de vakbonden en (centrum-)linkse partijen. Zij hebben de aanpassing van de loonnormwet nooit verteerd en beschouwen het ongedaan maken van deze wetswijziging als een princiepskwestie. Het is om die reden dat de vakbonden om de haverklap gaan staken, terwijl een negatieve loonkostenhandicap (onze loonevolutie ligt lager dan in de buurlanden) en het ongebruikte deel van de veiligheidsmarge eigenlijk resulteren in een hogere loonnorm.

De situatie zoals ze nu is: inflatie op het hoogste peil sinds de jaren '80

Langs alle kanten worden onze kmo's al enige tijd geconfronteerd met stijgingen van kosten: van grondstoffen en materialen, van transport, van energievoorziening, van sommige diensten en – last but not least – van loonkosten. Volgens de laatste vooruitzichten zal de gemiddelde inflatie in 2022 maar liefst 7,4% bedragen. In 2023 wordt 3,5% verwacht, tezamen dus 11% op twee jaar tijd. Het is van begin jaren ’80 geleden dat de inflatie een dergelijk niveau liet optekenen. Kmo’s betalen met andere woorden een pak meer – soms zelfs op enkele maanden tijd – voor hun energie en geleverde producten om hun activiteit te kunnen verrichten. Denk aan de bloem en meel voor bakkerijen en bouwmaterialen voor de zelfstandige aannemer.

Het probleem met het kader: een nieuwe loonkosthandicap

Dankzij de automatische indexering stijgen de brutolonen in ons land, zoals gezegd, mee met de evolutie van de gezondheidsprijsindex. België is quasi uniek in de wereld met dit systeem van koopkrachtbescherming. Maar het heeft ook een keerzijde, zeker in tijden van persistente, hoge inflatiecijfers zoals vandaag: de brutolonen in ons land hebben namelijk de neiging om veel sneller te stijgen dan in de ons omringende landen. Hierdoor bouwen Belgische ondernemingen een loonkostenhandicap op. De Europese Commissie voorspelde recent dat de reële (bovenop indexatie) arbeidskost in België in de periode 2022-2023 met 1,8% stijgt, terwijl Nederland, Frankrijk en Duitsland negatieve groeicijfers optekenen. De koopkracht wordt dan wel beschermd – en stijgt zelfs in sommige gevallen – op korte termijn, maar op middellange termijn ondermijnt deze situatie de concurrentiepositie van onze ondernemingen.

Om die reden zijn de vakbondsvoorstellen voor nóg meer loon dan ook totaal onbegrijpelijk. De hoge inflatie en bijhorende indexatie zorgt daar namelijk automatisch voor (zo kijkt het grootste paritair comité van ons land tegen een loonstijging aan van meer dan 7% in januari 2023). Sinds de invoering van de euro en het wegvallen van het wisselkoersinstrument zijn loonkostenevoluties in de privésector een essentiële factor voor de competitiviteit van onze economie. Stijgen de Belgische lonen structureel meer dan bij onze belangrijkste handelspartners, dan worden Belgische ondernemingen verplicht om in te boeten aan rendabiliteit indien men geen hogere prijzen wil of kan aanrekenen. In het andere geval wordt de productie geautomatiseerd of gedelokaliseerd. In beide gevallen gaan jobs verloren. Daarom moeten we de evolutie van onze loonkosten controleren.


Wat wil UNIZO?

In tijden van economische crisis moeten we samenwerken. Men moet onder ogen durven zien dat kmo’s lijden onder de kostenstijgingen. Studies van onder meer de Nationale Bank tonen aan dat die gestegen kosten niet volledig doorgerekend (kunnen) worden. Het is daarom jammer dat de vakbonden met halve waarheden hun achterban opstoken om te betogen voor meer loon. Die marge is er niet. UNIZO gaat absoluut niet akkoord met de vraag van de vakbonden naar nog meer loon boven de automatische indexering en maximale reële loonstijging van 0,4 % in 2021 en 2022. Maar ook voor de toekomst en vraagt UNIZO het behoud en de daarom een strikte toepassing van de loonwet. Op die manier kunnen we de snellere stijging van onze lonen tgv de automatische indexering terug uitvlakken de volgende jaren.

UNIZO wil ook dat de automatische loonindexering aangepast wordt. Uitzonderlijke situaties moeten leiden tot uitzonderlijke maatregelen. Als een algemene aanpassing of sociaal gecorrigeerde indexsprong niet kan, moet er minstens een tijdelijke regeling komen die ondernemingen toelaat om indien nodig de automatische indexering niet toe te passen. Individuele ondernemingen die kunnen aantonen dat ze het moeilijk hebben op basis van objectieve criteria moeten voor een ‘opting-out’ kunnen kiezen.