Geen woorden maar daden: Werken moet meer pensioen opleveren dan niet werken

OPINIE
Caroline Deiteren, UNIZO-expert Sociale Zaken

Caroline DeiterenWerken moet meer pensioen opleveren dan niet werken. Een eenvoudige en heldere stelling die door iedereen aanvaard zou moeten worden. Een stelling die de regering terecht tot de hare heeft gemaakt. Alleen weten we dat ons pensioenstelsel tal van voorbeelden kent, waarin die stelling oneer wordt aangedaan. Wie werkloos of bruggepensioneerd is, bouwt vandaag vaak meer pensioen op dan een zelfstandige of dan een werknemer die effectief aan het werk is, maar een lager loon verdient of deeltijds werkt. Dit is een aberrante situatie. De regering moet doorzetten met haar voornemen om dit aan te passen.

Enkele maanden geleden wekte het verhaal van twee vriendinnen algemene beroering. De ene was 33 jaar werkloos geweest. De andere had 40 jaar als zelfstandige gewerkt en bijdrage betaald. Raad eens wie het hoogste pensioen kreeg? Inderdaad. De werkloze vriendin kwam als winnaar uit de bus.
Eigenlijk is dit geen verhaal van enkele maanden geleden. We debatteren hier al jaren over. In ons pensioenstelsel geldt het principe dat werken of niet werken weinig verschil uitmaakt. Periodes van werkloosheid, brugpensioen, arbeidsongeschiktheid, enz. worden even hoog gewaardeerd, alsof men nog aan het werk is. Het pensioen dat tijdens die periodes wordt opgebouwd wordt berekend op het loon dat men voorheen als werknemer verdiende. Zo komt het dat een werknemer met een gemiddeld tot hoog loon tijdens zijn werkloosheid meer pensioen opbouwt dan andere werknemers die nog effectief werken, maar aan een lager loon. Ook werknemers die deeltijds werken en zelfstandigen bouwen minder pensioen op dan een werknemer in een gelijkgestelde periode.

En het stopt daar niet. Er wordt ook met deze periodes rekening gehouden om na te gaan of iemand 30 jaar “actief is geweest” en daardoor toegang kan krijgen tot het minimumpensioen of om na te gaan of iemand een “lange loopbaan” heeft gehad, wat recht geeft op voordelen zoals vervroegd pensioen, onbeperkt bijverdienen na pensioen, enz. Dat dit toch raar is omdat die systemen net de bedoeling hebben om mensen te belonen die effectief lang gewerkt hebben, is al decennia onbespreekbaar. Nochtans zijn deze gelijkgestelde periodes geen marginaal fenomeen. Bij mannelijke werknemers bestaat 30% van de pensioenloopbaan uit niet-gewerkte jaren, die dus toch vol pensioen opleveren. Bij vrouwelijke werknemers gaat het om 37%. Ongelooflijke percentages die trouwens in schril contrast staan met de situatie bij de zelfstandigen. Zij hebben gemiddeld slechts 4% gelijkgestelde periodes in hun loopbaan.

Het overmatig aantal gelijkgestelde periodes in het werknemersstelsel en hun zeer voordelige behandeling leidt tot een groot onrechtvaardigheidsgevoel bij al wie wel werkt en bijdraagt: zelfstandigen, deeltijdse werknemers en werknemers met een lager loon. De regering verdient dan ook punten voor haar moed om dit te willen veranderen. Ze had zich voorgenomen om het pensioen vanaf het tweede jaar werkloosheid en bij sommige brugpensioenen niet langer op het laatst verdiende loon te berekenen, maar op het minimumloon (23 841,73 EUR). Dit is een verdedigbare hervorming, die nu niet terug in de schuif mag belanden.

Sommigen schreeuwen moord en brand omdat langdurig werklozen hierdoor minder pensioen zullen opbouwen. Dat is inderdaad het geval, maar eigenlijk is dit niet meer dan logisch. Met alle respect. We moeten solidair zijn met mensen die hun job verloren zijn of niet meer kunnen werken. Ze hebben recht op een werkloosheidsuitkering en moeten ook verder pensioenrechten kunnen opbouwen. De solidariteit wordt echter ondergraven als die pensioenrechten op dezelfde manier berekend moeten worden alsof men nog aan het werk is. Een pensioenstelsel dat werken niet beloont, is niet rechtvaardig of motiverend.

Daarnaast zou werken en bijdragen in ons pensioenstelsel meer gewaardeerd moeten worden. Het zelfstandigenstelsel kent op dit punt nog een grote achterstand. Zelfstandigen krijgen voor hetzelfde inkomen maar 66% van het pensioen dat een werknemer zouden krijgen. Als gevolg hiervan geraakt een meerderheid van zelfstandige gepensioneerden niet aan een deftig pensioenbedrag. Ze moeten terugvallen op een minimumpensioen. Slechts een klein deel, met een zeer hoog inkomen gedurende de volledige loopbaan, kan een hoger pensioen opbouwen, met een maximum in 2017 van 1.326,23 EUR per maand. Het maximumpensioen bij zelfstandigen ligt dus 200 EUR per maand hoger dan het minimum voor een volledige loopbaan (1.168,73 EUR).  Als de regering het meent met haar mantra dat werken meer pensioen moet opleveren dan niet werken, dan pakt ze dit, tesamen met een hervorming van de gelijkgestelde periodes, op korte termijn aan.