Het beleid moet gaan voor flexibele, gedecentraliseerde bedrijven

In een commentaar in deze krant werd gisteren een pleidooi gehouden om de rode loper uit te rollen voor multinationals. In één adem wordt ook gesteld dat specifieke (en verregaande) gunstregimes voor multinationals mogelijk moeten zijn. De verontwaardiging rond luxleaks, ook in deze krant, is blijkbaar heel snel vergeten. Bovendien moeten kmo’s niet teveel zaniken over die gunstregimes, want kmo’s zijn er hier genoeg wat niet kan gezegd worden van internationale sterkhouders. En net die zijn volgens de auteur de ruggengraat van het economisch weefsel.

Eerst en vooral: internationale ondernemingen zijn inderdaad enorm belangrijk voor ons economisch weefsel. Ze zorgen niet alleen voor heel wat rechtstreekse werkgelegenheid, maar ook voor onrechtstreekse via vaak kmo-toeleveranciers. Hun internationale verankering maakt hen minder kwetsbaar voor schommelingen op lokale markten. Door hun internationale contacten zijn ze de facto vaak multicultureler, zien ze sneller evoluties in de samenlevingen en zijn ze goed  in staat kennis van overal op te pikken.

Maar wat vaak vergeten wordt, is dat je geen multinational moet zijn om internationaal actief te zijn. Onze eigen kmo’s doen het steeds vaker. En ongeacht of de kmo’s internationaal bezig zijn of niet, het zijn steeds meer ondernemingen die hun business-model bouwen op een digitaliserende, robotiserende en circulaire economische omgeving. Ondernemingen die, onder meer door hun familiale karakter, vaak zeer wendbaar en noodzakelijkerwijs ook zeer innovatief zijn. Maar ook ondernemingen die misschien individueel geen 2500 mensen tewerk stellen, maar samen voor veel meer tewerkstelling zorgen. Wiens gemeenschappelijke fiscale en parafiscale bijdrage aan de samenleving zeer hoog is. Die een sterke emotionele band hebben met het thuisland en daardoor ook veel meer de duurzame ruggengraat van onze economie zijn.

Stel je even in de plaats van die duizenden Vlaamse ondernemers die investeren in dat economisch model van de toekomst. Die mensen moeten dan horen dat er voor enkele “buitenlandse” bedrijven speciale aandacht en speciale regimes moeten zijn. Dat ze maar moeten aanvaarden dat die, soms concurrenten, een voorkeurbehandeling moeten krijgen. Het begrip “rechtvaardigheid” is in deze veraf. Level playing field: weinig van te merken. En net dat is nodig. Zorg dat ook die duizenden kleinere bedrijven die evengoed internationaal actief zijn of samen een grote toegevoegde waarde creëren op een eenvoudige manier van gunstregimes kunnen genieten.

Dit gezegd zijnde moeten we vooral gaan voor een vooruitziend beleid dat wakker ligt van de welvaart (en het welzijn) van haar bevolking. Een beleid dat in eerste instantie kijkt naar wie duurzame toegevoegde waarde voor haar samenleving creëert en die ook maximaal ondersteunt, zonder onderscheid.. Zo’n beleid zou dus voluit de kaart moeten trekken van de ondernemers die niet inzetten op het verleden maar op de toekomst. Of ze dan multinationaal tienduizenden werknemers hebben of nationaal enkele tientallen of honderden mag niet uitmaken. Voor alle duidelijkheid, het gisteren geciteerde voorbeeld van Audi beantwoordt zeer zeker aan deze voorwaarden. Meer evengoed duizenden van onze eigen kmo’s.

Dus graag voor al die bedrijven de rode loper. De toekomst is niet aan de grote dinosaurussen, wel aan de flexibele, gedecentraliseerde ondernemingen. 

(Dit opiniestuk verscheen op www.tijd.be op 22/01/2016)

Meer over: Fiscus, Fiscaal, Internationaal