"Ik ben wild van wild" - wildhandel Vermeersch Torhout

Van plan om op Oudjaar een stukje wild te serveren? Ga er dan maar vanuit dat jouw reeboutje of hazenrug van de band rolde bij Wildhandel Vermeersch. Het Torhoutse familiebedrijf is al twee generaties lang marktleider in wildproducten. Hoe noemen ze dat? Born to be wild? 

TEKST Sanderijn Vanleenhove – Foto’s Pieter Clicteur 

Mijn interview bleek voorbestemd. Enkele dagen voor ik naar het bedrijf in Torhout afzak, schotelt mijn schoonmoeder me op een familie-etentje everzwijnragout voor. Met wilde boschampignons, een witlofstronkje, appel met veenbessen en een aardappeltaartje. Feest!  

“Typisch Belgen”, lacht zaakvoerder Didier Vermeersch. “Op 1 oktober opent de jacht en plots eet iedereen wild. Maar van zodra Nieuwjaar is gepasseerd, is de goesting in wild meteen voorbij. Van alles hebben we al geprobeerd om het seizoen te rekken, maar het lukt niet. Geen idee hoe dat komt. Het zit in ons hoofd. In een land als Duitsland heb je dat niet. Daar eten ze heel het jaar door wild. Zelfs binnen België zijn er verschillen in welk soort wild we eten. Vlamingen eten liever de edele delen, zoals de filet of de bout, terwijl Walen het meer voor stoofpotjes hebben.” 

Mijn schoonfamilie heeft dus een Waals trekje, dat is nieuw. Wat ik wel al wist, of toch hoopte, is dat everzwijn wel degelijk wild is. Want hoe zit dat ook alweer? Hoe wild is ons wild nog? Didier: “Je mag zeker zijn, wild is zeer wild. Een ree, en zeker een haas, die kan je niet kweken. Een haas zet zich in gevangenschap in een hoekje en gaat dood. Ook herten zijn 100 procent wild. In Nieuw-Zeeland kweken ze die wel, maar in België worden die weinig verkocht. Wij verkopen hier enkel wild hertenvlees. ”  

Wild is ook voor 100 procent een natuurproduct. De mens komt er voor niets tussen: geen kweekprocessen, voedingssupplementen of antibiotica. Wild kweekt uit zichzelf. Wij zijn dus afhankelijk van wat de natuur ons brengt. Dat is het mooie, maar tegelijk ook het moeilijke. Je weet nooit wat je gaat krijgen. Het klimaat speelt in onze sector zeker een rol. Zachte winters zorgen voor meer worpen bij bijvoorbeeld everzwijnen. Strenge winters hebben dan weer een negatieve impact op het wildbestand.” 

Trop is te veel

Ik eet het graag, een stukje wild, maar het blijven mooie dieren. Zeker die hertachtigen met hun schattige Bambi-ogen. Zoals dat stel donkerbruine kijkers dat me al minutenlang vanuit een hertenkop aan de muur indringend bespiedt. Een souvenir van een van Didiers jachtuitjes, want hij is zelf jager. Het blijft dubbel. Voor elk stukje wild op je bord, is er een prachtig beest geschoten. 

“De jacht is inderdaad niet zo populair. Ik geef vaak voordrachten en ik begin die altijd met de vraag: ‘Wie is tegen de jacht?’. Vrijwel altijd schieten meteen meerdere handen de lucht in. Natuurlijk, een reetje is schattig. Maar dan toon ik enkele foto’s. Een compleet kapot gevreten maïsveld. Een omgewoeld voetbalterrein van een jeugdclub. En een auto-ongeval. Wist je dat er in Duitsland alleen jaarlijks 190.000 auto-ongevallen gebeuren met wild, waarvan tientallen met dodelijke afloop? Is jagen dan moorddadig? Neen, je moet de wildpopulatie intomen. Te veel is niet goed, maar te weinig natuurlijk ook niet. Wij halen enkel uit de natuur wat te veel is.” 

“Het wildbestand loopt niet achteruit, integendeel. Vroeger zag je amper een everzwijn in de Ardennen, nu veroorzaken ze soms overlast. Ook in Vlaanderen zie je steeds meer reeën. En everzwijnen, die bijvoorbeeld in Limburg trouwens steeds meer voor ongemakken zorgen. Ik woon in Brugge en rij dus elke dag naar Torhout. Echt waar, elke twee dagen zie ik aan de rand van het bos langs de autostrade een ree. Ik let daar natuurlijk wel sterker op als jager, mijn tweede passie naast die voor mijn beroep. De combinatie van de twee zorgt ervoor dat wij als bedrijf prat kunnen gaan op de kennis van onze grondstoffen.”  

Fabriek van de Toekomst

Ik laat mijn blik naar de andere muur glijden. Naar de grote bouwplannen die er hangen en me bij het binnenkomen al opgevallen waren. “Dit wordt ons nieuwe bedrijfspand”, verduidelijkt Didier met enige trots. “De opening is voorzien voor april volgend jaar. Het wordt hier te klein. En we zetten in ons nieuw pand in op automatisatie. Van versnijding tot etikettering. We noemen het de Fabriek van de Toekomst.”  

“In Bastogne hebben we net een nieuwe fabriek opgestart waar we everzwijnen, herten en reeën ophalen, uitbenen en versnijden. We verwerken daar de helft van al het wild dat in de Ardennen geschoten wordt.”  

Als je al die plannen hoort, kan je je bijna niet voorstellen dat het familiebedrijf ei zo na niet meer bestond. In 2011 ging het in vereffening. “Een heel moeilijke periode… We waren als bedrijf scheefgegroeid. We wilden groter worden ten koste van alles. Daar kwam nog eens bij dat de marges in Kroatië en Frankrijk, waar we op dat moment vooral actief waren, enorm onder druk stonden. En dat we niet meer konden concurreren met de lokale horecamarkt. We leverden toen nog veel wild aan restaurants – mijn vader was daar ooit mee begonnen –, maar dat was op den duur niet meer rendabel.” 

Benieuwd hoe het verhaal verder afloopt? Lees het in ZO Magazine van november, exclusief voor UNIZO-leden! 

Ik lees verder