Opinie: Een hoger minimumloon kan nefast zijn

Werkgevers betalen een minimumloon niet uit gierigheid, maar omdat de onderneming het zich niet kan veroorloven om een hoger loon te betalen. Het minimumloon verhogen, zonder de kost daarvan te compenseren, zou heel wat lage loonsectoren van de kaart vegen en de tewerkstellingskansen van laaggeschoolden kelderen.

(Dit opiniestuk van UNIZO-topman Danny Van Assche en Caroline Deiteren, coördinator sociale zaken UNIZO-studiedienst verscheen op 14 mei in De Tijd)

De socialistische vakbond ABVV voert vandaag actie ‘voor meer koopkracht en tegen ongelijkheid’. Het minimumloon van 1.654,90 euro per maand moet met 40 procent omhoog naar 2.300 euro, klink het.

Geen enkele werkgever betaalt een minimumloon omdat hij zijn werknemer geen hoger loon gunt. Zeker in tijden van krapte op de arbeidsmarkt moet je het werk van je mensen naar waarde schatten. De jobs met een minimumloon zijn echter voor laaggeschoolden en hebben een beperkte productiviteit. Van het loon dat de werkgever betaalt, ziet hij dus maar weinig terug. Bovendien is die werkgever vaak actief in een sector die vecht om te overleven.

Wij vroegen cijfers daarover op bij de RSZ. Daaruit blijkt dat minimumlonen vooral voorkomen bij de zelfstandige winkels, de kleine supermarkten, de taxisector, de arbeiders, de landbouw en de kunstsector. Dat zijn niet de sectoren die grote winsten genereren. Wel sectoren waar veel laaggeschoolden en kansengroepen werken. Een stijging van het minimumloon met 40 procent betekent voor hen de genadeslag.

Ook wie een minder ambitieus scenario verdedigt, bijvoorbeeld een verhoging met 15 procent, rekent dat het best even na. De loonkosten stijgen daardoor sterk voor 30 procent van alle taxichauffeurs, 26 procent van de arbeiders, 25 procent van de winkelbedienden, 20 procent van de werknemers in de kleine supermarkten, en 40 procent van alle werknemers in de landbouw. 

Heel wat werkgevers in die sectoren zouden ook dat scenario niet overleven. Een ander deel zal de bewuste jobs gewoon schrappen. Sommige zelfstandige kledingzaken zullen de concurrentie met Zalando dan uiteindelijk opgeven, een buurtsupermarkt zal haar toog voor verse charcuterie misschien vervangen door voorverpakte vleeswaren. En wie wil in die omstandigheden nog een taxibedrijf starten? Niet alleen de ondernemers, maar ook de werknemers met een minimumloon zijn het slachtoffer. Heel wat laaggeschoolden en kansengroepen zullen hun job verliezen.

Armoede

In de Nationale Arbeidsraad bestuderen de sociale partners momenteel scenario’s om het minimumloon verder te doen stijgen dan de 1,1 procent die voorzien was in het IPA (Interprofessioneel Akkoord). We verwachten dat het ABVV daar uitlegt waarom we dat moeten doen. België heeft al het vierde hoogste minimumloon in de Europese Unie, zowel voor het brutobedrag als voor de koopkracht. Bovendien kan je niet zeggen dat het minimumloon mensen in de armoede drijft. De armoededrempel voor een alleenstaande bedraagt 1.198,6 euro per maand. Het minimumloon (1.545,04 euro netto) ligt daar ver boven. Het armoederisico bij werkenden is dan ook erg laag in België (4%) en ligt waarschijnlijk aan andere factoren (de gezinssamenstelling, schulden, facturen, enz.).

Naast goede redenen om het minimumloon te verhogen is er ook een concreet voorstel nodig om negatieve effecten voor de werkgevers te vermijden. Dat was trouwens met zoveel woorden overeengekomen in de Nationale Arbeidsraad voor we met de werkzaamheden begonnen. De compensatie kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een nieuwe bijdragevermindering voor werkgevers in de categorie van de erg lage lonen.

In de plaats van het bruto minimumloon te verhogen kan de overheid ook de sociale en fiscale lasten voor de werknemer verder verminderen om ‘werken meer te laten lonen’. Ze moet er dan wel rekening mee houden dat een werknemer met een minimumloon nu al bijna geen persoonlijke sociale bijdragen en belastingen betaalt. Daardoor bedraagt het netto minimumloon zo’n 93 procent van het brutominimum. 

Is het verantwoord daar nog verder in te gaan en dus een categorie van werknemers te creëren die bijna niet bijdraagt aan de solidariteit? Om de werkloosheidsval op te lossen moeten we het niet doen. Net omdat bruto en netto bij het minimumloon zo dicht bij elkaar liggen, is het verschil met de werkloosheidsuitkering voor deze groep relatief groot, zo’n 400 euro per maand. Dat zou een voldoende prikkel moeten zijn om aan de slag te gaan.

Uitzonderlijk

Het verhaal wordt anders voor de iets hogere looncategorieën tussen 2.400 euro en 2.900 euro. Zij zitten bruto sterk boven het minimumloon, maar netto blijft er van dat verschil minder over. Bovendien zit de berekening van de werkloosheidsuitkering voor die categorieën zo in elkaar dat de netto uitkering tot 90 procent van het loon kan opleveren. In Europees perspectief is dat uitzonderlijk. De vraag is waar de oplossing ligt: in een verhoging van het nettoloon of een verlaging van de werkloosheidsvergoeding? En wat met de werkgeversbijdragen voor die groep, die ook een pak hoger zijn dan voor een minimumloon?

De budgettaire ruimte van de volgende regering is beperkt. Als we bijkomende jobs willen creëren, ook voor laaggeschoolden, en we werken meer willen laten lonen, zullen - met de cijfers in de hand - verstandige keuzes moeten worden gemaakt.

Danny Van Assche, gedelegeerd bestuurder UNIZO

Caroline Deiteren, coördinator sociale zaken UNIZO-studiedienst

(Verschenen in De Tijd op 14 mei 2019)