Begrotingscontrole 2016 : Welke maatregelen van belang voor zelfstandigen en KMO's

Tijdens de voorbije begrotingscontrole werden verschillende beslissingen genomen met een impact op ondernemers.

Wat denkt UNIZO ervan?

In een eerste reactie reageert UNIZO gematigd positief op het bereikte akkoord over de begrotingscontrole. UNIZO is tevreden over de modernisering en flexibilisering van het arbeidsrecht, zoals de mogelijkheid dat er maximaal 9u per dag en 45u per week zal kunnen gewerkt worden (met behoud 38-urenweek op jaarbasis), evenals de mogelijkheid om bijkomend 100 overuren te presteren. De aangekondigde hervorming van de vennootschapsbelasting kijkt UNIZO eveneens tegemoet. Daarentegen is UNIZO allerminst tevreden over de uitkering van arbeidsongeschikte werknemers waarvoor werkgevers deels moeten opdraaien.

Welke gevolgen voor uw zaak?

De details van deze beslissingen zijn nog niet altijd duidelijk en sommige maatregelen zullen verder besproken worden met de sociale partners, waar UNIZO deel van uitmaakt. Er moet hoe dan ook nog heel wat wetgevend werk gebeuren. We houden u verder op de hoogte, maar hierbij alvast een selectie van de voor u belangrijkste maatregelen. De informatie hieronder is gebaseerd op de gegevens waarover wij beschikken op 11 april 2016.

Arbeidsduur berekend over 1 jaar

De referteperiode voor de berekening van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 38 uur wordt met ingang van 1 januari 2017 wettelijk vastgelegd op 1 jaar. Per dag zal een grens van 9 uur gelden; per week een grens van 45 uur. De minimale interne grens wordt bepaald op 143 uur. Dit betekent dat het aantal gepresteerde uren nooit meer dan 143 uur boven de gemiddelde arbeidsduur van 38 uur per week mag liggen. Sectoraal kunnen deze grenzen nog worden uitgebreid. De regeling inzake het bepalen van het overloon blijft ongewijzigd.

Overuren

Alle werknemers krijgen met ingang van 1 januari 2017 een krediet van 100 overuren per jaar die zij niet moeten inhalen, maar kunnen laten uitbetalen. De sector kan dit krediet aan overuren verhogen tot een maximum van 360 uren. Dit stelsel van overuren wordt een bijkomend stelsel naast de bestaande stelsels (vb. onvoorziene noodzakelijkheid, buitengewone vermeerdering van het werk, enz.). Ze zullen gepresteerd kunnen worden als werkgever en werknemer daartoe overeenkomen, zonder dat de arbeidsduur 11u per dag of 50u per week kan overschrijden.

Vorming

Vanaf 1 januari 2017 zou  inzake vorming een interprofessionele doelstelling van gemiddeld 5 dagen vorming per voltijdse werknemer per jaar gelden. Het gaat om een algemene norm die door alle ondernemingen samen zou moeten worden voldaan. Het is nog erg onduidelijk hoe deze algemene doelstelling op sectoraal en/of ondernemingsniveau zal moeten worden ingevuld. Er zal een cascaderegeling gelden :

  • Op sectoraal niveau kan een algemeen verbindend verklaarde cao worden gesloten die voorziet in vormingsinspanningen die kaderen binnen een groeipad vertrekkend van de bestaande inspanningen; of
  • Er kan voorzien worden in een individuele vormingsrekening per werknemer met een jaarlijks vormingskrediet ten belope van minstens het equivalent van de bestaande inspanning, kaderend binnen een groeipad.

Voor KMO’s met minder dan 20 werknemers, zal een specifiek regime worden uitgewerkt. KMO’s met minder dan 10 werknemers worden vrijgesteld van deze verplichting. Bij gebrek aan een sectorale cao of een individuele vormingsrekening zou elke werknemer jaarlijks een individueel vormingsrecht krijgen van 2 dagen in de periode 2017-2018. Deze vorming kan bestaan uit formele vorming buiten de onderneming of uit formele of informele vorming binnen de onderneming. De werkgever kan dit zelf organiseren of beroep doen op externe vormingskanalen.

Telewerk

Er zal een wettelijk kader gecreëerd worden om occasioneel telewerk toe te laten. De rechten van de werknemer onder andere op het vlak van terugbetalen van kosten, de arbeidsongevallenregeling en administratieve formaliteiten zullen daarbij ook geregeld worden.

Deeltijdse arbeid

De reglementering rond deeltijdse arbeid wordt vereenvoudigd. Onder andere de volgende maatregelen worden voorgesteld:

  • Afschaffing van de verplichting om alle mogelijke wekelijkse werkroosters op te nemen in het arbeidsreglement.
  • Wanneer het werkrooster variabel is, wordt de termijn van 5 werkdagen om de roosters bekend te maken naar minimum 1 werkdag gebracht. De bestaande verwittigingstermijnen in sectorale cao’s die hoger liggen dan dit minimum van 1 dag, blijven echter behouden. De bekendmaking van de roosters moet niet meer door middel van aanplakking gebeuren.
  • De manier waarop de werkroosters worden bepaald en de verwittigingstermijn van 1 dag moeten in het arbeidsreglement worden ingeschreven, conform de voorziene overlegprocedures.
  • Bewaring van de werkroosters kan voortaan in papieren of elektronische vorm.
  • Mogelijkheid om het controledocument waarin alle afwijkingen moeten worden bijgehouden, te vervangen door een strikt tijdsregistratiesysteem (met mogelijkheid voor de vakbond om de gegevens die daarin geregistreerd worden, in te kijken).
  • Wijzigingen aan het uurrooster op vraag van de werknemer worden niet langer beschouwd als meeruren die aanleiding kunnen geven tot het betalen van overloon.

Glijdende werktijden

Op vandaag bestaat strikt genomen geen wettelijk kader voor deze vorm van flexibel werken.  Een wetsontwerp van de Minister van Werk daartoe werd ingediend bij de Nationale Arbeidsraad.  De regering wil dit wetsontwerp uitvoeren.

Schenking van verlofdagen

Er wordt een kader uitgewerkt waarbinnen werknemers verlofdagen kunnen schenken aan collega’s die zwaar zieke kinderen opvangen. Als minimum blijft wel gelden dat elke werknemer 4 weken jaarlijkse vakantie moet behouden. Deze maatregel kan op sectorniveau worden geactiveerd en bij gebrek daaraan, op ondernemingsniveau.

Tijdelijke werkloosheid

Het recht op uitkeringen in het kader van economische werkloosheid wordt pas verworven als men voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarde om recht te hebben op werkloosheidsuitkeringen in het kader van de volledige werkloosheid (en men dus voldoet aan het vereiste aantal arbeidsdagen in loondienst).  Deze voorwaarde wordt ingevoerd met ingang van 1 april 2016 voor de tijdelijke werkloosheid omwille van economische reden; niet omwille van overmacht of onwerkbaar weer.

Responsabilisering van werkgevers en werknemers inzake arbeidsongeschiktheid 

Er zal door de regering een voorstel van responsabilisering van werkgevers en werknemers uitgewerkt worden. De werkgever riskeert gedurende een welbepaalde periode in het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid een deel van de last van de uitkering te dragen. Het is nog niet duidelijk over welke periode het gaat en welk deel van de uitkering, en voor welke bedrijven. De regering bekijkt ook nog in welke mate kleine bedrijven deze bijkomende last ook zullen moeten dragen. Ten aanzien van de werknemer die arbeidsongeschikt is, zullen ook een aantal responsabiliseringsmaatregelen worden genomen.

Hervorming van de vennootschapsbelasting

De minister van Financiën wordt ermee belast om tegen september 2016 voorstellen uit te werken om de vennootschapsbelasting te hervormen. Hierdoor moet de internationale concurrentiepositie van België gevrijwaard blijven, na de beslissing van de Europese Commissie over de “excess profit rulings”. De regering heeft wel uitdrukkelijk aan de minister van Financiën opgedragen dat de op stapel staande hervorming van de vennootschapsbelasting in de eerste plaats ten goede moet komen aan de kmo’s.

Verhoging van accijnzen op diesel 

De regering heeft in 2015 in het kader van de tax shift al beslist om de accijnzen op diesel te verhogen. Deze verhoging was gepland voor 2017. Naar aanleiding van de begrotingscontrole, is nu beslist om de verhoging al in 2016 te laten ingaan. Met vrijwaring wel van de professionele diesel.

Fiscaal kader voor de deeleconomie

Anno 2016 nemen platformen zoals Uber en Airbnb een steeds grotere plaats in de samenleving in. Er bestaat op dit moment geen fiscaal kader dat is aangepast aan deze nieuwe technologie. Daarom zal de regering een kader uitwerken voor diensten die een particulier levert via een privaat of een publiek digitaal platform. Het is de bedoeling om deze diensten dan te onderwerpen aan een bronheffing. Met andere woorden: het platform houdt bij de afrekening van de transactie een bepaald bedrag in, als voorschot op de belastingen die de particulier op de inkomsten betaalt. In principe komt het bedrag van de bronheffing overeen met de belasting die de particulier moet betalen en is met de inhouding door het platform de fiscale kous dus af. De regering neemt deze maatregel om rechtszekerheid te bieden aan de particulieren die gebruik maken van een platform. Maar zeker ook om de eerlijke concurrentie met de “gewone” zelfstandigen of kmo’s te verzekeren.

Steun voor economische sectoren getroffen door aanslagen

In de nasleep van de aanslagen in Brussel op 22 maart, zagen heel wat zelfstandigen en kmo’s hun omzet dalen. Hierdoor dreigen ze in betalingsmoeilijkheden te komen, aangezien de fiscus, de RSZ en andere overheidsdiensten de wettelijke betalingstermijnen toepassen. Daarom heeft de regering beslist om een aantal maatregelen te nemen om het financiële leed te verzachten voor bepaalde sectoren die zwaar getroffen zijn door de aanslagen. De concrete invulling gebeurt later, maar het staat al vast dat het gaat om uitstel van betaling van sociale bijdragen voor zelfstandigen, RSZ voor werkgevers, bedrijfsvoorheffing en het gebruik van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht.

 

 

Meer over: Nieuw in 2016