Opinietalk: maak van freelance ondernemers geen fiscale schietschijf
Geen werknemers hebben maakt iemand niet minder ondernemer. Freelance ondernemers investeren, dragen risico en helpen bedrijven vooruit met kennis en expertise. Toch dreigen zij juist door hun manier van werken fiscaal te worden getroffen. Een economie die hun expertise nodig heeft, moet ook hun ondernemerschap erkennen en versterken.
In de begrotingsoefening wordt overwogen om vennootschappen zonder personeel geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van VVPR-bis. Met die regeling kunnen kleine vennootschappen onder voorwaarden dividenden uitkeren tegen een verlaagde roerende voorheffing: de belasting op die uitkering. De overheid zoekt extra inkomsten en wil tegengaan dat mensen hun activiteit vooral om fiscale redenen in een vennootschap onderbrengen. Maar is het ontbreken van werknemers daarvoor een geschikt criterium? Voor freelance ondernemers raakt dat aan de kern van hun zaak.
UNIZO definieert een freelance ondernemer als een zelfstandige zonder personeel die gespecialiseerde diensten verleent in het kader van een contractuele business-to-businessrelatie met een opdrachtgever. Van de deelnemers aan het recent gepubliceerde Freelancer Focus Rapport 2026 werkt 74 procent via een vennootschap. De jaarlijkse studie raamt het aantal freelance ondernemers in Vlaanderen en Brussel op ruim 243.000, waarmee zij volgens de beschikbare regionale tellingen een grotere groep vormen dan de personen die er in de bouw werken. Die vergelijking is wel indicatief: de bronjaren en telmethoden verschillen.
Een rechtsvorm is geen bewijs van misbruik
Achter het debat zit de bezorgdheid dat vennootschappen worden gebruikt om minder belasting op arbeidsinkomsten te betalen. Maar fiscale fraude, managementvennootschappen en schijnzelfstandigheid zijn niet hetzelfde. ‘Managementvennootschap’ is geen afzonderlijke, wettelijk omschreven vennootschapsvorm. De ondernemingen achter die naam bestaan wel, maar de naam alleen bewijst geen fiscale fraude. Kijk dus naar wat een onderneming doet, niet naar het etiket dat ze krijgt.
Bij schijnzelfstandigheid gaat het om de manier waarop iemand werkt. Is die persoon op papier zelfstandig, maar werkt die in werkelijkheid onder het gezag van een werkgever? De wet beoordeelt dat aan de hand van vier algemene criteria: de wil van de partijen, de vrijheid om de werktijd te organiseren, de vrijheid om het werk te organiseren en de mogelijkheid tot hiërarchische controle. De dagelijkse praktijk moet passen bij het gekozen statuut. Eén opdrachtgever hebben wordt soms als verdacht voorgesteld, maar bewijst op zichzelf geen schijnzelfstandigheid. Daarvoor moet de samenwerking worden onderzocht, niet de loonlijst.
Een fiscaal voordeel zonder gegarandeerd rendement
De fiscale regels zijn al strenger geworden. Toch geven ze een solo-zelfstandige geen zekerheid over het rendement. VVPR-bis vereist onder meer dat de beloofde geldinbreng volledig is gestort. Voor het gunsttarief geldt ook een wachttermijn. Sinds 1 juli 2026 bedraagt de uiteindelijke roerende voorheffing 18 procent in plaats van 15 procent. Die belasting komt boven op de vennootschapsbelasting die al op de winst is betaald.
Ook voor het verlaagde vennootschapstarief gelden voorwaarden. Dat tarief bedraagt 20 procent op de eerste 100.000 euro belastbare winst. Vanaf aanslagjaar 2027 moet de vennootschap daarvoor in beginsel minstens één bedrijfsleider 51.000 euro bezoldiging toekennen. Voor starters en bij lagere winsten gelden uitzonderingen. De wettelijk bedoelde forfaitaire voordelen - voordelen waarvan de belastbare waarde volgens vaste regels wordt berekend - mogen maximaal 20 procent van de totale bedrijfsleidersbezoldigingen bedragen. Deze regels bepalen het recht op het verlaagde vennootschapstarief. Ze zijn geen algemene loonplicht en ook geen voorwaarden voor VVPR-bis.
Een lager belastingtarief garandeert echter nog geen winst of dividend. De ondernemer investeert eigen middelen en blijft het risico dragen. Een bijkomende uitsluiting op basis van personeel vraagt daarom een duidelijke onderbouwing. De bredere beleidsvraag is hoe we freelance ondernemerschap versterken, in plaats van het ontbreken van werknemers als een tekortkoming te behandelen.
Groei past niet altijd op een loonlijst
Het aantal werknemers zegt niet alles over ondernemerschap of economische activiteit. Bedrijven werken samen met mensen via verschillende contractvormen. Ook freelance ondernemers schakelen andere zelfstandigen en gespecialiseerde partners in, net zoals grotere organisaties dat doen. Geen eigen personeel hebben betekent dus niet dat iemand alleen werkt of geen waarde creëert. Digitale hulpmiddelen en AI kunnen bovendien helpen om meer diensten te leveren en de omzet te verhogen zonder meteen iemand aan te werven.
Freelance ondernemerschap verdient een herkenbare plaats in het economische beleid. Zij maken volwaardig deel uit van de bredere groep solo-zelfstandigen, maar hebben eigen kenmerken en noden. Ook NextConomy vroeg in juli 2026 om dat onderscheid zichtbaar te maken in het KMO-beleid. De visienota ‘De eenpersoons-KMO als het ontbrekende hoofdstuk van het KMO-plan 2025’ wijst daarvoor op het geplande instrument dat automatisch de grootte van ondernemingen moet bepalen. Dat moet ook zelfstandigen zonder personeel correct meetellen. Betere cijfers zijn geen doel op zich: ze vormen de basis voor beleid dat deze ondernemersvorm begrijpt en gericht ondersteunt.
Versterken betekent niet dat iedere freelance ondernemer werkgever moet worden. De eerste aanwerving brengt loonkosten, administratie en extra risico mee en verdient absoluut gerichte aandacht en begeleiding. Maar ook zonder personeel blijven ondernemen is een volwaardige keuze. Groei kan evengoed betekenen dat een ondernemer expertise verdiept, betere samenwerkingen opbouwt of met digitale hulpmiddelen meer waarde levert. Een beleid dat ondernemerschap stimuleert, moet ruimte laten voor die verschillende groeipaden.
Economische waarde is geen financiële zekerheid
Freelance ondernemers zijn van betekenis voor de economie. Acht op de tien door UNIZO bevraagde freelance ondernemers zijn langgeschoold. Met hun expertise helpen ze andere bedrijven vooruit en vervullen ze vaak belangrijke rollen bij opdrachtgevers. Het UNIZO Freelancer Focus Rapport 2026 raamt de theoretische omzetcapaciteit van de volledige freelancepopulatie in Vlaanderen en Brussel op ongeveer 34,7 miljard euro per jaar. Dat is geen gemeten omzet of toegevoegde waarde, maar een aanwijzing voor de omvang van deze groep.
Die economische betekenis biedt niet automatisch financiële zekerheid. Van de bevraagde freelance ondernemers in hoofdberoep kan 35 procent hoogstens drie maanden zonder opdrachten overbruggen voordat financiële problemen ontstaan. Ook vindt 35 procent van alle bevraagden dat betalingen doorgaans niet tijdig en correct verlopen. Deze enquêtecijfers gaan niet uitsluitend over ondernemers met een vennootschap. Ze tonen wel dat economische activiteit en financiële zekerheid niet vanzelf samengaan.
Fiscale verschillen tussen zelfstandigen en werknemers mogen worden besproken. Geen enkel voordeel staat buiten discussie. Maar vergelijk dan het volledige plaatje: de belastingdruk, beroepskosten, het risico op wegvallende opdrachten en de sociale bescherming. Bij dividenden telt ook de vennootschapsbelasting op de winst mee. Een fiscale hervorming vraagt een onderbouwing, geen verdachtmaking van zelfstandig ondernemerschap.
Wie expertise levert, investeert en risico draagt, verdient passende regels, meer zekerheid en ruimte om zijn zaak duurzaam uit te bouwen, met of zonder personeel.
Erken en versterk freelance ondernemerschap
UNIZO en Nextconomy pleiten daarom voor een beleid dat freelance ondernemerschap niet alleen fiscaal beoordeelt, maar ook economisch erkent en versterkt. Maak deze ondernemers zichtbaar in de cijfers en houd rekening met hun specifieke noden bij fiscale regels, sociale bescherming en samenwerking met opdrachtgevers. Beoordeel schijnzelfstandigheid op de feitelijke arbeidsrelatie en onderbouw fiscale ingrepen afzonderlijk. Sluit bonafide freelance ondernemers niet van VVPR-bis uit alleen omdat zij geen werknemers hebben. Bied rechtszekerheid en een zorgvuldig overgangskader, zodat zij kunnen blijven investeren en plannen. Daar ligt de inzet van onze belangenverdediging: de voorwaarden verbeteren waaronder freelance ondernemers duurzaam kunnen ondernemen. Wie hun expertise waardeert, moet ook het ondernemerschap erachter erkennen. Geen personeel hebben, maakt iemand nog geen schijnondernemer.