De veralgemening van de flexijobs is een oplossing, geen probleem
Bart Eeckhout schrijft vandaag dat flexijobs weldra als een “molensteen” rond de nek van de politiek zullen hangen. Een beeld dat best zwaar op de maag valt, maar vooral buikgevoel blijft. Flexijobs zouden onze arbeidsmarkt uithollen, vaste banen verdringen en de sociale zekerheid onder druk zetten. Wie verder dan de theorie kijkt, ziet geen molensteen, maar een hefboom.
Werknemers kunnen vanaf 1 april flexi-jobben in alle sectoren. Geen sectorloterij meer, geen gedoe over wie wel of wie niet. Eén systeem, voor iedereen. Werkgevers tevree, werknemers tevree. Maar de staatskas niet, zo poneert Bart Eeckhout althans.
Volgens hem dreigt het systeem de financiering van onze sociale bescherming uit te hollen. Alleen raakt die redenering de realiteit amper.
Flexi-uren vervangen geen bestaande uren: ze vullen lege uren op die anders gewoon niet ingevuld raken. Op die uren komt dus zonder flexi’s helemaal geen bijdrage binnen. Vandaag betaalt een werkgever 28 procent patronale bijdrage op flexi-lonen. Dat maakt het verschil, zeker bij gepensioneerden die via flexi’s actief blijven: zij kosten geen uitkeringen, leveren wel bijdragen op en verhogen onze werkende bevolking. Dat is geen uitholling, dat is netto rendement.
Het idee dat werknemers vier vijfden zouden gaan werken om de rest met flexi’s op te vullen, getuigt van weinig vertrouwen in de rekenkracht van onze beroepsbevolking. Het verlies aan maaltijdcheques, eindejaarspremie, vakantiegeld en loopbaanopbouw weegt niet op tegen een paar extra flexi-euro’s.
De vrees dat flexijobs vaste banen omverduwen, met in het bijzonder die voor kortgeschoolde werknemers, gaat uit van een arbeidsmarkt die niet meer bestaat. In het eerste kwartaal van dit jaar bedroeg het totale arbeidsvolume op onze arbeidsmarkt 3.417.144. Die van flexi-jobs 27.960. Dan kan je bezwaarlijk spreken van een verdringing als minder dan één procent van de gewerkte uren gebeurt via een flexi-job.
Ook al zijn flexi-jobs inderdaad bijzonder populair, zij maken slechts een klein deel uit van de totale tewerkstelling. Werkgevers blijven voorkeur geven aan vaste werknemers, niet aan het opsplitsen van taken om ze te verdelen onder flexibele werkkrachten. Bedrijven blijven ook massaal zoeken naar mensen met een laagdrempelig profiel, maar vinden die nauwelijks op de huidige arbeidsmarkt. De keuze is dus niet tussen een vaste werknemer of een flexi-jobber. De keuze is tussen iemand of niemand.
Flexijobs zijn niet perfect, maar ook zeker geen molensteen. Ze zijn een praktische oplossing in sectoren waar de realiteit vaak zwaarder is dan zo’n stenen joekel. Ze houden bedrijven open, bieden werknemers een fiscaalvriendelijke bijverdienste of een kans om nieuwe jobs te ontdekken en leveren de staatskas netjes extra middelen op via de 28 procent werkgeversbijdragen. Dat klinkt niet zozeer als een probleem, maar eerder als een oplossing.