Hoe zit dat nu met die wederbeleggingsvergoeding?

Met een recent arrest heeft het Hof van Cassatie het stof rond de wederbeleggingsvergoeding weer doen opwaaien. De impact van dit arrest is belangrijk, maar mag ook niet overschat worden. Voor heel wat dossiers blijft de nood aan een structurele oplossing bestaan.

Wat is het probleem?

Wanneer een ondernemer een krediet vervroegd wil terugbetalen, rekent de bank een vergoeding aan (de ‘wederbeleggingsvergoeding’). Er is al jaren een discussie aan de gang over de omvang van die vergoeding. Dat heeft alles te maken met een artikel uit het Burgerlijk Wetboek (artikel 1907bis), dat stelt dat de bank bij een vervroegde terugbetaling van een lening op intrest geen hogere  vergoeding mag vragen dan zes maanden intrest. Omdat dat artikel enkel van toepassing is op ‘leningen op intrest’, hebben banken in de voorbije jaren twee manieren ontwikkeld om de toepassing van het artikel te ontwijken:

  • In sommige bankvoorwaarden werd opgenomen dat het krediet niet vervroegd terugbetaald mocht worden. Als de bank dit dan uitzonderlijk toch toestond, mocht de bank volgens bepaalde rechters die vergoeding beschouwen als een pure schadevergoeding, waarop artikel 1907bis dus niet van toepassing zou zijn. Met andere woorden: de bank zou dan méér mogen vragen dan 6 maanden intrest. 
  • Een veel vaker gebruikte techniek is het ‘herbenoemen’ van het krediet. Aangezien het artikel 1907bis enkel van toepassing is op leningen op intrest en niet op kredietopeningen, verscheen in verschillende kredietovereenkomsten de term ‘kredietopening’ in plaats van ‘lening’. Nochtans is er een duidelijk verschil tussen beide kredietvormen: bij een lening op intrest stelt de bank een vastgesteld bedrag ter beschikking aan de ontlener, tegen de belofte om dat bedrag periodiek terug te betalen met intrest. Bij een kredietopening daarentegen, stelt de bank een bepaald bedrag ter beschikking, maar beslist de kredietnemer zelf welke bedragen hij opneemt en wanneer.

Wat is de concrete impact van dit arrest van Cassatie?

Cassatie heeft met het arrest van 2016 een belangrijke stap gezet, maar onvoldoende om de problematiek van de wederbeleggingsvergoeding helemaal op te lossen. Het Hof spreekt zich immers enkel uit over de eerste ontwijkingstechniek: dossiers waarbij de bank de ondernemer verbiedt om het krediet vervroegd terug te betalen. En dat soort dossiers vormen zoals gezegd maar een deel van het probleem. Daarnaast zijn er nog steeds veel dossiers waar de discussie niet zozeer gaat over de vraag of de ondernemer al dan niet vervroegd mag terugbetalen, maar eerder over de vraag of het betrokken krediet een ‘lening op intrest’ dan wel een ‘kredietopening’ is.

UNIZO heeft dat enkele jaren geleden al aangekaart bij de bevoegde Ministers en heeft toen samen met hen de wet ontworpen die stelt dat voor alle kredieten (ongeacht de benaming) de wederbeleggingsvergoeding niet méér mag bedragen dan zes maanden intrest. Die wet (Wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, B.S. 31/12/2013) geldt echter enkel voor kredieten afgesloten na haar inwerkingtreding ( 2014). Voor kredieten van vóór die datum blijft het artikel 1907bis gelden, en moet dus bekeken worden of het gaat om een kredietopening (waarvoor de bank mag vragen wat ze wil) of een lening op intrest ( waarbij de vergoeding beperkt moet zijn tot zes maanden intrest).

Samengevat:

Door deze wet en het recente arrest van Cassatie, is de problematiek van de wederbeleggingsvergoeding nu dus ‘beperkt’ tot kredietovereenkomsten, afgesloten vóór 2014, waarbij de bank stelt dat het gaat om een kredietopening. Maar dat gaat wel nog om een groot aantal dossiers.

De bedoeling was dat de Ombudsdienst voor de Financiële sector in deze dossiers zou bemiddelen en zoeken naar een gepaste oplossing. Uit de recente jaarrapporten van de Ombudsdienst blijkt evenwel dat in meer dan 80% van de dossiers over de wederbeleggingsvergoeding, de bank het standpunt van de Ombudsdienst niet volgt (https://www.ombudsfin.be/sites/default/files/jaar-verslag-2015.pdf, p. 28). Een dergelijk hoog percentage ondermijnt de werking van de Ombudsdienst. Bij de evaluatie van de wet van 2013 die momenteel door Minister Borsus wordt uitgevoerd, moet (het respect voor) de bemiddelingsrol van de Ombudsdienst dan ook een belangrijke plaats krijgen.

Op korte termijn zoekt UNIZO sinds enkele maanden samen met de banksector en de Ombudsdienst voor de Financiële Sector naar een oplossing voor de meest dringende, ‘behartenswaardige’  dossiers. Het doel daarbij is te komen tot oplossingen in individuele dossiers, waarbij de ondernemer genoodzaakt is tot een vervroegde terugbetaling van het krediet, en dus geen andere keuze heeft dan een vervroegde terugbetaling, en om die reden niet kan wachten op een meer algemene oplossing op langere termijn.

 

 

Meer over: Banken, Wederbeleggingsvergoeding, Krediet

Op zoek naar meer ondernemersinfo?

UNIZO ondernemerslijn - 0800 20 750Voor andere nuttige ondernemersinfo
raadpleeg hier het Unizo Kennisnet:
geef uw zoekterm in of zoek per thema
of trefwoord in onze databank.

Of contacteer Unizo Ondernemerslijn voor
een persoonlijk eerstelijns advies of een
nuttig contact.

Ons adviesteam staat voor u klaar!